Helaas…
Uw zoekopdracht op '' returned no results.
Uw zoekopdracht op '' returned no results.
Van Doorn schakelt online in voor het interview in zijn roeioutfit, hij is net van de boot gestapt na een training op de Bosbaan. Volgende week vindt daar het WK Roeien plaats – een thuiswedstrijd dus voor hem en zijn teamgenoten. “We trainen hier nu de laatste keren voor het WK. Het is indrukwekkend om te zien hoe alles wordt opgebouwd: de tribune staat er al, en overal worden tenten en atletenruimtes neergezet. Heel bijzonder om je eigen trainingslocatie te zien veranderen in WK-terrein.”
Ter voorbereiding op het WK trok Van Doorn met de volledige Nederlandse ploeg naar Oostenrijk voor een trainingskamp. “We sliepen boven op de berg in een hotel, voor een hoogtestage. Elke dag namen we de skigondel naar beneden om op een meer te trainen. We waren de enige gasten in het hotel, dus we leefden er echt in een bubbel.”
Het trainingskamp was intensief voor Van Doorn. Niet alleen de trainingsuren – zo’n 30 uur per week – maar ook de drukte. “Je zit drie weken boven op elkaar en af en toe was het wel lekker geweest om even wat meer ruimte voor mezelf te hebben. Tegelijkertijd is het ook superleuk om met je teamgenoten op zo’n trainingskamp te zijn.”
Ondanks eerdere WK’s en een Olympische finale voelt Van Doorn nog steeds spanning voor het komende WK. “Je wilt gewoon heel graag presteren. Elke topsporter is competitief, heeft prestatiedrang en wil winnen. We staan straks voor 10.000 man eigen publiek, dat zorgt wel voor extra spanning.”
Toch zal hij niet zo zenuwachtig zijn als voor de finale van de Olympische Spelen in Parijs twee jaar geleden. Zijn zenuwen waren toen zo erg dat hij zelfs even dacht: Ik meld me af voor vandaag. Van Doorn: “Vanaf het moment dat ik goed begon te worden in roeien en dat het duidelijk was dat ik er talent voor had, begon iedereen over de Olympische Spelen. De Spelen zijn al een doel op zich en dan de finale halen is ongelooflijk gaaf. Het is heel onwerkelijk als je daar dan ineens staat, dat zorgde voor veel emotie. En dat ging gepaard met heel veel zenuwen, want je wilt het goed doen.” Uiteindelijk wist Van Doorn met zijn bootgenoten in de Holland Acht een zilveren medaille te winnen.
Waar Van Doorn eerder dus in de Holland Acht roeide, stapte hij daarna over naar de vier-zonder – een viermansboot zonder stuurman. En dat bevalt hem wel. “Ik vind de vier-zonder een leukere boot om in te roeien, het vergt net wat anders van je. Zo’n acht is best wel groot en log. En omdat je met twee keer zoveel mensen bent, moet je echt heel goed samenwerken. Dat moet in de vier-zonder ook wel, maar iets minder. Je komt er beter uit de verf als je een goede roeitechniek hebt, de acht is net iets meer een krachtmeting.”
Inmiddels zit Van Doorn al jaren bij de Nederlandse roeibond, maar op jongere leeftijd volgde hij een ander pad dan de meeste roeiers. Nadat hij meedeed aan de wereldkampioenschappen bij de junioren, bood de University of Washington hem een studiebeurs aan om te komen roeien en studeren. “Ik roeide daar veel, maar het was iets minder topsport dan als ik direct naar de Nederlandse roeibond was gegaan. Ik heb daar een redelijk normale studententijd gehad, met eens per maand een feestje. Dat is goed geweest voor mijn ontwikkeling. Ik had niet graag gewild dat ik op die jonge leeftijd zou studeren en al op dit niveau zou moeten presteren.”
Wat zou Van Doorn jonge studenten als tip meegeven? “Topsport is leuk, maar geniet ook een beetje van het student zijn. Bij tennis geldt: zit je op je achttiende nog niet bij de top, dan ga je het waarschijnlijk niet meer halen. Roeien werkt anders, daar kun je ook op latere leeftijd nog instromen en alsnog ver komen. Het is namelijk ook belangrijk om je op sociaal vlak te ontwikkelen. Ik denk niet dat je gelukkig wordt als je alleen maar met je sport bezig bent.”
Van Doorns topsportmentaliteit wordt vooral gevoed door zijn competitieve roeiomgeving, maar is ook terug te vinden in zijn normale leven. “Als ik iets doe, probeer ik het zo goed mogelijk te doen. Dat komt ook doordat ik weinig vrije tijd heb; ik heb geen tijd om het nog een keer te doen.”

Gert-Jan van Doorn met zijn bootgenoten van de vier-zonder (Foto: Benedict Tufnell).
Die mindset is lastig te combineren met een universitaire studie, legt Van Doorn uit. “Sommige vakken vallen samen met trainingsmomenten, en dat zorgt soms voor stress. Je wilt het zo goed mogelijk doen in je sport, maar ik heb er bewust voor gekozen om het roeien te combineren met een masteropleiding. Dat brengt extra druk met zich mee, dus ik heb besloten er in ieder geval twee jaar over te doen. Zo kan ik studeren en topsport naast elkaar blijven doen, al blijft het een spanningsveld. Eigenlijk zou ik meer tijd aan mijn master willen besteden, maar het komende WK en de Olympische Spelen van 2028 hebben nu prioriteit. Als dat betekent dat mijn master twee of drie jaar duurt, dan is dat maar zo.”
Met het WK voor de deur blikt Van Doorn vast vooruit naar de afloop. “De voorbereiding gaat heel goed, dus we willen meedoen om de winst. Maar voor mij is het WK vooral geslaagd als we onze beste race roeien. Je wilt niet dat er iets misgaat, je wilt er alles uithalen. Als je beter bent dan de rest, dan win je. Maar als we onze beste race roeien en niet winnen, dan heb ik daar ook vrede mee.”
Na het WK hoopt Van Doorn nog de Olympische Spelen van 2028 te bereiken. Als die klaar zijn, is hij net 29. “Dan is het wel mooi geweest, al denk ik daar over twee jaar misschien anders over. Ik wil na het roeien in ieder geval iets met mijn master Finance gaan doen. Ik hoef niet per se als investment banker te werken, ik werk liever bij een klein bedrijf waar je nauw moet samenwerken met mensen. Dat is iets wat ik gewend ben: als roeiers zitten we bijna letterlijk op elkaars schoot.”
Er is de afgelopen weken meer over hem geschreven dan over zijn naamgenoten uit Washington en Duckstad bij elkaar, dat realiseer ik me terdege, maar toch wil ik het graag nog even hebben over Donald Pols. De directeur van Milieudefensie die zijn groene naam op het spel zette voor een baan bij Tata Steel, om op zijn tweede werkdag ontslagen te worden na onthullingen over een extreemrechts verleden.

Nu weet ik dat Tata niet bekendstaat als het milieuvriendelijkste bedrijf, maar je net aangestelde chef al na één dag dumpen is wel héél onduurzaam. En disproportioneel. Als je het mij vraagt, zou Pols zijn functie gewoon terug moeten krijgen.
Niet omdat die studiejaren van Pols nou zo onschuldig waren. Als voorzitter van een Zuid-Afrikaanse apartheidsbeweging streed hij tegen rechten voor zwarte landgenoten en vóór een apart vaderland voor de witte bevolking. ‘Ik koos een weg waar ik nu met walging op terugkijk’, klinkt Pols’ spijtbetuiging in NRC. Zonder zijn verleden te willen vergoelijken, vertelt hij over zijn opvoeding in een aartsconservatief, kerkelijk milieu. Popmuziek en televisie waren verboden. God bepaalde dat witte mensen superieur waren. Zwarte mensen stonken.
Op 21-jarige leeftijd kwam hij tot inkeer. Hij verhuisde naar Maastricht, en niet veel later naar de andere kant van het politieke spectrum. ‘In niets ben ik de persoon die ik toen was’, aldus Pols. ‘Het waren foute standpunten, heel foute standpunten.’ Daar dacht Tata dus hetzelfde over.
In een meritocratische samenleving wordt je maatschappelijke positie bepaald door individuele verdiensten – niet door de plaats van je wieg, de spaarpot van je ouders of de kleur van je huid. Hetzelfde geldt, als het aan mij ligt, voor morele misstappen uit het verleden. Hoe kom je ooit nog aan een baan als je jeugdzondes je door iedereen tot in de eeuwigheid worden nagedragen?
Heb genade met een ethische dwaling, zeker nu. Het internet verandert razendsnel in een cellencomplex van filterbubbels, echokamers en rabbit holes. Door toxische algoritmes kan tegenwoordig iedere jongere in een mum van tijd afzakken in het soort gedachtegoed waarmee Pols zijn hele jeugd werd gehersenspoeld. Sterker nog: wij állemaal zijn er op een zwak moment slechts een paar klikken van verwijderd.
Maar als het zover komt, zijn we echt nog niet verloren. Het aardige van verwerpelijke standpunten is dat men ze kan verwerpen. Alleen gaat dat niet vanzelf. Zeker niet zolang we politiek gevoelige kwesties met andersdenkenden massaal blijven vermijden. Pols kwam tot inkeer toen hij de discussie aanging met de stinkende landgenoten waar hij zijn leven lang op neerkeek. Dan kunnen wij het ook.
Vlak na de laatste deadlines van het afgelopen blok vertrokken studenten en docenten van de masteropleiding International Crimes, Conflict and Criminology naar Sarajevo in Bosnië voor een studiereis van een week. Naast de verhalen over grootschalige wreedheden en de uitdagingen van de overgangsfase na de Bosnische Burgeroorlog van 1992 tot 1995, ontdekten we dat de tegenstellingen die de oorlog hadden ontketend, hem ook in stand hielden en dertig jaar later nog steeds bestaan.
Het hele jaar door hebben de studenten van deze master zich vanuit verschillende wetenschappelijke invalshoeken verdiept in grootschalige wreedheden en internationale misdrijven. De oorlogen in Joegoslavië en de genocide in Srebrenica dienden als praktijkvoorbeelden voor ons leerproces. De studiereis naar hoofdstad Sarajevo was voor de deelnemende studenten een verrijkende en verhelderende ervaring. Zo konden ze kennisnemen van de vastgestelde feiten over het geweld tussen 1992 en 1995, en ervaren hoe de historische verhalen die buiten het vredesakkoord om de ronde doen, actief worden betwist.
Het Dayton-Akkoord, dat op 21 november 1995 werd ondertekend door de presidenten van Bosnië en Herzegovina, Kroatië en Servië, maakte een eind aan de conflicten. Maar voor vrede is meer nodig, zo werd ons verteld door de deskundigen die wij ontmoetten. Hoewel de wapens die winter officieel werden neergelegd en de legercommandanten hun soldaten terugtrokken van het slagveld, zijn de sporen van de oorlog nog steeds zichtbaar: kogelgaten in de huizen, muurschilderingen van veroordeelde oorlogsmisdadigers en tegenstrijdige historische narratieven die het land nog steeds verdelen.

Dat werd al meteen duidelijk op de eerste dag, toen we verschillende steden bezochten in de Republika Srpska, een van de twee confederale entiteiten waaruit Bosnië en Herzegovina bestaat. Met onze gids Adnan, een veteraan van het leger van de Republiek Bosnië en Herzegovina, verlieten we de hoofdstad en trokken we naar kleinere plaatsen waar de invloed van de Bosnische Serviërs steeds duidelijker werd. Langs de wegen en boven op gebouwen in de stad wapperden Servische vlaggen, wat erop duidde dat we een heel andere wereld betraden. Toen we met onze bus Kalinovik binnenreden, zagen we een muurschildering van de veroordeelde oorlogsmisdadiger Ratko Mladić, met daarnaast een Servische vlag. Deze had een prominente plek gekregen in de geboorteplaats van de voormalige legerofficier. In het centrum van de ‘Stad van de Helden’ waakte een imposant standbeeld van Mladić over de gedenkplaats. De muurschildering vertegenwoordigt een bepaald narratief, namelijk dat Mladić geen pleger van genocide is, maar een ‘verdediger’ en held. Meer dan dertig jaar na het einde van de oorlog duiden dergelijke voorstellingen op het voortbestaan van alternatieve historische waarheden; wat internationaal als genocide wordt erkend en wettelijk is vastgelegd, wordt in lokale contexten in een ander perspectief gezet, gebagatelliseerd of ronduit verworpen.
Misschien wel de meest opvallende tegenstrijdigheden op die dag werden zichtbaar tijdens ons bezoek aan Miljevina en Višegrad. In beide steden werden hotels tijdens de oorlog gebruikt voor martelingen en seksueel geweld tegen Bosniakse mannen en vrouwen – een overwegend islamitische bevolkingsgroep in Bosnië. In Miljevina staan alleen nog de muren van het hotel overeind, met overal in het gebouw gebroken glas en graffiti. Zonder een bord of gedenkplaat die herinnert aan de gepleegde misdaden, zou dit gebouw gemakkelijk kunnen worden gezien als een willekeurig verlaten pand of een overblijfsel uit economisch slechte tijden, in plaats van een plek waar gruweldaden hebben plaatsgevonden.

In Višegrad diende het kuurhotel Vilina Vlas eveneens als locatie waar Bosniakse burgers werden vastgehouden, gemarteld en blootgesteld aan systematisch seksueel geweld. Toen onze bus het gebouw naderde, zei onze gids dat we konden uitstappen om de omgeving te verkennen. Hijzelf koos ervoor om in de bus te blijven. Hij had zichtbaar geen behoefte om terug te keren naar de plek waar zoveel geweld had plaatsgevonden. Ondanks het feit dat Vilina Vlas tijdens de oorlog een van de belangrijkste verkrachtingslocaties was, is het kuuroord momenteel gewoon in gebruik. De gasten zwemmen in het zwembad waarin vroeger lijken dreven, en slapen in dezelfde bedden waar Bosniakse vrouwen en meisjes werden verkracht. Hieruit blijkt hoezeer het verleden hier nog wordt ontkend. Toen ik bij de trap naar de ingang stond om foto’s te maken, kwam er een man naar buiten om een sigaret te roken. Ik keek hem aan en hij glimlachte terug, en ik vroeg me af of hij wist wat de vrouwen en meisjes in dit hotel was overkomen en of het hem wat deed. Ook hier geen gedenkplaat ter nagedachtenis aan de slachtoffers. Geen erkenning van de gruweldaden die hier zijn begaan, maar ultieme ontkenning.
Met de vraag of het gebrek aan aandacht in de Republika Srpska voor de Bosniakse slachtoffers wordt veroorzaakt door een drang om te vergeten of door actieve ontkenning, bezochten we de volgende dag de missie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) in Bosnië en Herzegovina. Wat een presentatie van een uur had moeten worden, mondde uit in een drie uur durend openhartig gesprek over de uitdagingen van overgangsjustitie in post-conflictsituaties in een land dat worstelt om het gewelddadige verleden achter zich te laten.
De OVSE is met 57 deelnemende staten de grootste regionale veiligheidsorganisatie ter wereld en werd in 1973 (toen nog CVSE) opgericht om tijdens de Koude Oorlog als multilaterale ‘brug’ tussen Oost en West te fungeren. De OVSE bevordert alomvattende veiligheid door middel van – vaak stille – diplomatie en voert haar werkzaamheden uit vanuit haar secretariaat in Wenen (Oostenrijk), op basis van diverse mandaten, terwijl zij haar invloed uitbreidt via haar veldmissies in voornamelijk (Zuid-)Oost-Europa en Centraal-Azië.
De OVSE-missie in Bosnië en Herzegovina werkt op basis van het mandaat dat is vastgelegd in het Dayton-akkoord. Dit akkoord maakte een einde aan de oorlog en legde het grondwettelijk fundament van het land. De grondwet van Bosnië bestaat niet als een op zichzelf staand document, maar als een bijlage – Bijlage 4 – die in het vredesakkoord zelf is opgenomen. In die zin is het grondwettelijk bestaan van het land zelf ondergeschikt aan de voorwaarden van het akkoord waarmee het conflict werd beëindigd, wat ons eraan herinnert dat Bosnië en Herzegovina niet zozeer is opgezet als een samenhangend politiek project, maar is uitonderhandeld als compromis tussen de strijdende partijen. Deze regeling is een afspiegeling van de omstandigheden waaronder ze tot stand is gekomen: een akkoord tussen partijen die elkaar nauwelijks vertrouwen en die tegenstrijdige visies op het land hebben. Hoewel men er met dit akkoord in is geslaagd het geweld een halt toe te roepen, heeft het ook de politieke verdeeldheid tussen de entiteiten versterkt, waardoor een gefragmenteerd systeem is ontstaan waarin samenwerking weliswaar noodzakelijk is, maar zelden soepel verloopt.
Het creëren van vertrouwen – de ultieme voorwaarde voor duurzame vrede – is een enorme uitdaging in post-conflictsituaties; bevooroordeelde narratieven die de ‘andere partij’ in een negatief daglicht stellen, werpen een barrière op die politieke wil in de weg staat. Het tripartiete leiderschap van het land, waarin vertegenwoordigers van de Bosniakken, Serviërs en Kroaten zitting hebben, is zelfs voor het dagelijks bestuur aangewezen op compromissen. Toch raken in de praktijk zelfs relatief onomstreden beleidskwesties gepolitiseerd langs etnisch-nationalistische scheidslijnen, aangezien leiders vaak meer politieke winst behalen door tegenwerking dan door samenwerking. Op deze manier zorgen de institutionele afspraken die bedoeld zijn om vrede te waarborgen er juist voor dat de verdeeldheid blijft voortbestaan, waardoor het moeilijk is om vertrouwen op te bouwen.
De OVSE-adviseurs benadrukten dat er ook buiten de uitvoerende macht vertrouwen moet worden opgebouwd, met name in sectoren als het onderwijs en de rechterlijke macht. Op Bosnische scholen is de fragmentatie schrijnend: met meer dan tien ministeries van Onderwijs is er geen uniform leerplan, en krijgen kinderen fundamenteel verschillende versies onderwezen van de geschiedenis, de grenzen en het oorlogsverleden van het land. Deze naast elkaar bestaande verhalen leiden tot uiteenlopende collectieve herinneringen. En als er geen gemeenschappelijke basis van feiten is, komt men moeilijk tot een dialoog.
Tegelijkertijd ondermijnt de trage en onevenwichtige vervolging van oorlogsmisdaden het vertrouwen nog verder. Rechtszaken worden gekenmerkt door jarenlange vertragingen en tegenstrijdige straffen, en worden vaak gezien als selectief of politiek gemotiveerd. Als gemeenschappen zien dat ‘hun’ daders worden gestraft terwijl anderen ongestraft blijven, worden de wrokgevoelens juist versterkt in plaats van weggenomen. De adviseurs merkten op dat een onevenwichtige verantwoordingsplicht verdeeldheid in de hand werkt. De achterstanden in de rechtspraak als gevolg van een overbelast rechtssysteem roepen de vraag op of gerechtigheid (alleen) via juridische sancties kan worden bereikt.
Maar diezelfde middag werden we geconfronteerd met een heel ander perspectief. Genocidedeskundige Hikmet Karčić beschouwt Bosnië en Herzegovina in zekere zin als een ‘model’ voor verzoening na een conflict. Zijn argumentatie lijkt te berusten op een beperktere definitie van verzoening: de afwezigheid van nieuw grootschalig geweld en het vermogen van voormalige tegenstanders om naast elkaar te kunnen leven. Volgens deze maatstaf heeft Bosnië een broze vorm van stabiliteit bereikt, ook al blijft een diepere sociale samenhang voorlopig buiten bereik.
Volgens de OVSE-adviseurs is deze kwetsbaarheid nu juist het probleem. Het ontbreken van een verenigde politieke gemeenschap komt op de meest onverwachte plekken naar voren, zelfs in de sport. Die avond moest Bosnië en Herzegovina tegen Italië spelen in de finale van de play-offs voor het WK. De OVSE kreeg meldingen dat een deel van het land voor de Italianen was.
Enkele uren later werd dit narratief in Sarajevo weersproken. Na een nagelbijtende penaltyserie kwam Bosnië en Herzegovina als winnaar uit de bus. De stad ontplofte. De straten stroomden vol met mensen die zich in vlaggen hadden gehuld, het getoeter van auto’s was tot ver in de nacht te horen, en de menigte scandeerde: “I am from Bosnia, take me to America”. Even leek de verdeeldheid waarover we het de hele dag hadden gehad, op te lossen in een gezamenlijke vreugde. Maar zelfs toen bleef de vraag hangen: aangezien Sarajevo voornamelijk door Bosniakken wordt bevolkt, zouden er in steden in de Republika Srpska dezelfde geluiden klinken? Terwijl ik op het drukbezochte plein stond te wachten tot de spelers zouden arriveren, vroeg ik twee fans, Kenna en Din, of het hele land deze overwinning gemeenschappelijk zou kunnen vieren. Er viel een korte stilte voordat het antwoord kwam: “Dat hoop ik.”
Op de laatste dag van het programma vertrokken we naar Srebrenica, de stad in Oost-Bosnië waar de genocide op de Bosniakse bevolking officieel is erkend. Toen we door de indrukwekkende blauwe bergkloven reden die het landschap doorsneden, stond de natuurlijke schoonheid in schril contrast met wat hier in het verleden heeft plaatsgevonden. De wegen die we volgden en de heuvels waar we langs reden waren getuige geweest van onvoorstelbare wreedheden.

Srebrenica zelf is een spookstad. Het aantal graven ter nagedachtenis aan de ruim 8.000 Bosniakse mannen en jongens die door het Bosnisch-Servische leger zijn vermoord, overstijgt het aantal mensen dat er tegenwoordig woont. Aangezien veel gezinnen ontheemd zijn geraakt of zijn vermoord, staan talloze huizen leeg. Achter de met kogelgaten doorzeefde gevels is het stil; er is niemand meer om naar terug te keren of de woningen te erven. De meeste van deze vernielingen zijn een overblijfsel van de oorlog, maar elk jaar op 12 juli, de dag na de Internationale Dag van Bezinning en Herdenking, rijden radicale Bosnisch-Servische fanatici door de stad en zwaaien met Servische vlaggen, zingen nationalistische liederen en schieten op de huizen waarvan ze weten dat ze van Bosniakken zijn. Voor velen hier herinneren deze daden er jaarlijks aan dat de strijd om het verleden nog altijd voortduurt.
Zelfs in het herdenkingscentrum, waar bezoekers in de voormalige batterijfabriek, die tijdens de moordpartijen als basis diende voor het Nederlandse bataljon, verschillende tentoonstellingen kunnen bekijken, zijn de meningsverschillen over de geschiedenis zichtbaar. De permanente tentoonstelling ‘Het falen van de internationale gemeenschap’, mede gefinancierd en mede opgezet door de Nederlandse overheid, wijt de genocide aan de bureaucratische verlamming binnen de NAVO. Sommigen stellen echter dat daarmee de verantwoordelijkheid wordt afgeschoven op een abstract systeem in plaats van op de personen die hebben nagelaten de Bosniakse burgers te beschermen. Vlak ernaast leggen de nieuwere (door Turkije gefinancierde) tentoonstellingen de nadruk op iets anders. Ze brengen de verhalen van de slachtoffers in beeld aan de hand van foto’s, korte documentaires en persoonlijke bezittingen, waaronder de teruggevonden schoenen van enkele vermoorde Bosniakse burgers. Dertig jaar later is de verantwoordingskwestie nog steeds zo’n omstreden onderwerp dat zelfs hier, bij het monument, maar weinigen het erover eens zijn waar de verantwoordelijkheid werkelijk ligt en wie er herdacht moet worden.
Wat ons is bijgebleven, naast nieuwe ervaringen en kennis over Bosnië en Herzegovina, waren aloude vragen over wat ‘vrede’ betekent in een samenleving na een conflict, en hoe kwetsbaar die vrede kan blijven. In Sarajevo, de Republika Srpska en Srebrenica toonde het naoorlogse landschap in Bosnië dat de overgang van oorlog naar vrede zelden een lineair proces is. Conflicterende visies op de geschiedenis en het beperkende Dayton-kader zorgen ervoor dat de onderliggende politieke en maatschappelijke verdeeldheid in het land steeds wordt versterkt.
Deze spanningen blijven duidelijk zichtbaar en beïnvloeden alle lagen van de sociale werkelijkheid. Ze zijn onderdeel van het dagelijks leven.
Het is belangrijk om ons te verzetten tegen simplistische narratieven
We deelden schotels met burek en ćevapi in de oude binnenstad van Sarajevo, hoorden kerkklokken en de Adhan uit moskeeën door elkaar klinken, en zongen karaoke met Adnan in de bus op de terugweg vanuit het oostelijke deel van Bosnië, een gebied getekend door de verschrikkingen die er plaatsvonden. Juist deze combinatie van verscheurdheid en normaliteit, van verdeeldheid en samenleven, maakte de reis zo boeiend. Bosnië en Herzegovina is zowel een model van vrede als een levend bewijs dat de situatie na een conflict in verandering blijft en geen definitieve oplossing kent. Zoals Adnan opmerkte: “Bosnië is een masterclass van tegenstrijdigheden”, en door deze te bevragen wordt duidelijk hoe belangrijk het is om ons te verzetten tegen simplistische narratieven – ook in hedendaagse conflicten, waar gelaagde geschiedenissen en concurrerende narratieven nog steeds bepalend zijn voor de manier waarop vrede wordt nagestreefd en conflicten worden ervaren.
Wetenschappers die actief zijn in de medezeggenschap, moeten daarvoor de ruimte krijgen van hun collega’s en leidinggevenden. In de praktijk leidt dat nogal eens tot problemen, bijvoorbeeld wanneer een onderzoeker jaarlijks 100 uur minder tijd krijgt toebedeeld voor onderzoek en dus haar werk niet goed kan doen.
Zo’n onderzoeker wordt benadeeld, vindt de ondernemingsraad, en dat mag niet volgens de Kaderregeling medezeggenschap Vrije Universiteit, artikel 1.7. De VU zou dat centraal duidelijk moeten maken aan alle faculteiten en afdelingen, eist de ondernemingsraad. In een vergadering met het college van bestuur en de OR leidde dat tot een bozige discussie.
Volgens het CvB is het allemaal ingewikkelder dan de OR het doet voorkomen en moet de zaak eerst goed uitgeplozen worden. “Elke faculteit heeft zijn eigen regelingen en daarnaast moeten we uitzoeken hoe het wettelijk precies zit”, legt een bestuurssecretaris van het CvB later telefonisch aan Ad Valvas uit. “Bovendien mogen medewerkers die actief zijn in de medezeggenschap niet worden benadeeld, maar hun collega’s ook niet. Hun taken mogen niet verzwaard worden vanwege een regeling met een OR-lid.”
De OR duurt dit allemaal te lang. In de afgelopen jaren zouden verschillende wetenschappers de OR hebben verlaten omdat hun leidinggevenden hen niet de benodigde compensatie in uren zouden hebben gegeven. Dat is ernstig, want in de OR, die de belangen van alle medewerkers van de VU behartigt, is het ondersteunende personeel al jaren oververtegenwoordigd. Wetenschappelijk personeel, dat al te maken heeft met een onaanvaardbaar hoge werkdruk, heeft simpelweg de tijd niet voor medezeggenschap.
Het lukte het CvB niet de OR duidelijk te maken dat het tijd kost om tot een oplossing te komen. Eén OR-lid werd er emotioneel door. Zij is het die het met 100 uur minder onderzoekstijd moet doen. Bovendien zouden mensen van HRM specifiek naar haar onderzoek hebben gedaan onder haar collega’s, die zouden hebben gezegd geen baat te hebben bij een collega die actief is in de medezeggenschap.
De sfeer werd er niet beter op toen de directeur van HRM, die ook aanwezig was, zei dat er nou eenmaal verschil van mening was over de gang van zaken rond dit OR-lid. Dat versterkte slechts het algemene gevoel bij de OR dat leidinggevenden de regeling rond medezeggenschapsleden naar eigen goeddunken interpreteren, en zelden in het voordeel van het medezeggenschapslid.
De discussie werd afgekapt vanwege tijdsdruk, het feit dat het nooit over individuele gevallen mag gaan en omdat de discussie in een “hullie-zullie” dreigde te verzanden, in de woorden van CvB-voorzitter Margrethe Jonkman. Ze drukte de OR op het hart dat OR-leden die zich benadeeld voelen, zich tot de HRM-directeur moeten wenden.
De introductietekst windt er geen doekjes om: ’Religion is a hot topic. In a world marked by global conflicts, digitalization and rapidly changing climate, we are looking for a bigger story to hold on to. At the same time, many of these stories are being used to create division and hierarchy.’ Religie heeft altijd een rol gespeeld in de menselijke zoektocht naar stabiliteit en betekenis, maar heeft ook vaak geleid tot uitsluiting en conflict. Kan religie betekenisvol zijn op een meer holistische manier? Die vraag was het vertrekpunt voor de tentoonstelling Realms of Reality. Buiten is het snikheet, binnen bij de VU Art Science Gallery is het aangenaam koel.

Links van de introductietekst hangen tekeningen uit de series Substantia van Suzanne Plomp. Het eerste werk Hand of Benediction van Plomp is een zwarte, paarse en groene tekening waarin een futuristische duizendpoot als een sieraad hangt om een feminiene hand die eruitziet als die van een elf. Het schilderij roept een sfeer op van futurisme waarin technologie en religie samen lijken te smelten. Het heeft iets weg van een altaar voor de vereniging van mensen met dieren in een technologische toekomst.
‘’Het is een potloodtekening”, vertelt Jasmijn Mol, kunsthistoricus en onderzoeker, die een begeleidend essay schreef voor de tentoonstelling, “het is allemaal getekend met de hand. Het is the elephant in the room geworden: de kunstenaar kan zich niet vinden in associaties met futurisch en digitaal. Het gaat haar juist om dichtbij te kijken naar de schaduwprocessen in de natuur.’’
Het werk is het favoriet van vakantieganger Morgan uit Houston Texas: ‘’I really like the color scheme of the painting with the hand, the purple really makes it stand out.”
Het volgende werk is van textiel, afkomstig uit de installatie Heavenly Bodies van Marcos Kueh: een blauw, roze, groen tapijt met in het midden heilige Maria met een ietwat androgyn voorkomen. Maria staat op een bloem en is omringd door elementen die je zou kunnen categoriseren als sneeuwvlokjes of sterren. Ook dit werk heeft iets van een altaar en iets futuristisch door twee elementen links en rechts boven de Maria die lijken op een digitale variant van een ‘alziend oog’.

“Kuehs werk heeft vaak neonachtige felle kleuren, het refereert aan kapitalisme en de relatie met (neo)kolonialisme”, vertelt Mol, “in heel Zuidoost Azië zijn dit soort beelden van een witte Maria verspreid, ze zijn niet aangepast aan hoe de lokale bevolking eruitziet. Er staan teksten in verschillende talen op het tapijt: het idee is dat het westen niet altijd alles hoeft te begrijpen.’’
Bezoeker Youvin Park is geïntrigeerd: ‘’It combines all kinds of religions and different cultures. Like Buddhism and Catholicism. I haven’t seen a work that combines so much before.’’
De schilderijen van Fiona Lutjenhuis trekken de aandacht door het felle groen. Op een van de schilderijen zie je een vrouw met een gefronste blik zitten in een giftig uitziend bos (afbeelding bovenaan dit artikel). Ze heeft een boek in handen met daarop twee zinnen geschreven: ‘Father what is worth lying for? Mother what is worth crying for?’ Zou Lutjenhuis hiermee suggereren dat religie mannen kan aansporen te bedriegen en vrouwen vooral aanspoort om in contact te zijn met hun emoties?
Het schilderij is een drieluik. Een van de drie luiken heeft een niet-ingevuld vak: wellicht wil Lutjenhuis ons zelf na te denken zetten om een levensovertuiging in te vullen.
“Lutjenhuis is opgegroeid in een sekte”, vertelt Mol, “haar vader was ‘de man des huizes’, hij vertelde dat iedereen verdoemd was maar dat als ze hem zouden gehoorzamen ze gered zouden worden door buitenaardse krachten. Lutjenhuis wil in haar werk ook de mooie kanten laten zien van leven volgens spirituele of theosofische ideeën: het is een oproep voor het openstellen naar de krachten van de natuur.’’
Bezoeker Nick van der Hoeven is gefascineerd door het schilderij: ‘’I am fascinated by the conflicts between scientific and religious views. I found these in the work of Lutjenhuis.’’

Nerveusmakende geluiden van de natuur domineren het laatste werk: de installatie Snakes and Ladders van Simone Albers. Het is een vierkante kamer, met blauwe muren, met aan een wand een soort spinnenweb met slangen die zich erin nestelen. Het werk zou ‘de aandacht verleggen van de religieuze belofte van het hiernamaals naar de betekenis van het leven in het hier en nu’.
Mol geeft meer informatie over de installatie: ‘’Het is een herinterpretatie van het spel Snakes and Ladders dat is gekoloniseerd door Engeland (het spel komt oorspronkelijk uit India, red.) en is platgeslagen tot een spel van ‘goed of slecht’: als je hoog op de ladder bent ben je een goed mens, ben je laag op de ladder word je gebeten door een slang en ben je een slecht mens. De installatie is een nieuwe versie van het bordspel, waarin alles cyclisch is, en er geen goed en slecht meer is, geen boven of onder.’’
Luxe diner voor een studentenprijs
Iedere vrijdag kun je bij ADM Noord terecht voor een ‘biologische volkscuisine-de-luxe driegangenmenu’, en dat voor maar tien euro. De chefs gebruiken alleen plantaardige producten van lokale bioboeren, biologische groothandels en uit eigen tuin. Met je bezoek aan het eetcafé steun je Het Groene Veld, een culturele en ecologische vrijhaven in Amsterdam-Noord waar ADM Noord onderdeel van is. Wees slim en reserveer vooraf.
Kosten: 10 euro voor drie gangen.
Eten met de buurt
Uiteten met soms een feestje toe? Voor een goedkope (vegan) avondmaaltijd kun je terecht bij het gemeenschapsgedreven De Sering in het centrum, waar eten, cultuur en activisme samenkomen. Met dagelijks zo’n 300 maaltijden op donatiebasis willen de oprichters eten voor iedereen toegankelijk houden. Zo nu en dan worden na het eten de tafels aan de kant geschoven voor een (muziek)optreden. Je kunt ook terecht bij de oorspronkelijke locatie in West, vlak bij Station Sloterdijk.
Kosten: diner voor 2,50 tot 18 euro (pay what you can).

De Sering
Goedkoop bier bij Café Fest
Studentenkroeg Café Fest achter de HvA aan de Wibautstraat haalde onlangs Het Parool vanwege de zeer schappelijke bierprijs – een vaasje kost er slechts 2,75 euro. Bij krakerscafé Vrankrijk in de Spuistraat ben je nog goedkoper uit: voor een flesje Lindeboom betaal je een luttele 2 euro.
Kosten: 2-2,75 euro per biertje
Op deze handige kaart zie je precies waar elke tip zich in Amsterdam bevindt.

Rob Bömer
Bommetje in Amsterdam
Met de steeds hetere zomers is het fijn dat er steeds meer (on)officiële zwemplekken komen in Amsterdam. Neem zelf een gevulde koeltas en wat eten mee en je hebt vrijwel gratis een perfecte zomerdag. Een paar van onze favoriete plekken: de steiger bij Cruquiuseiland in Oost, de kade bij Café Hesp aan de Amstel, het Marineterrein, alle ministrandjes aan het Nieuwe Meer en Park Somerlust in het Amstelkwartier.

Park Somerlust (Husky/Wikimedia)
Brak op zondag
Wil je je kater wegdansen? Je weekend dansend afsluiten? Bezoek dan het feest Brak, waar dj’s je van 15.00 tot 20.00 uur gratis en voor niks de beste progressive en diepe melodische techno voorschotelen. In de zomer vind je Brak elke laatste zondag van de maand bij stadsstrand VerbroederIJ in Noord. De volgende editie is op 28 juni.
Ultiem chillen bij NEMO
Ben je geen waterrat maar heb je wel zin om te chillen? Ga dan naar de gratis daktuin van NEMO Science Museum. Je hebt er een uniek uitzicht over de stad en je mag zelfs je eigen eten en drinken meenemen. Op donderdagen is de daktuin extra lang geopend – tot 21.00 – én is er livemuziek van upcoming Amsterdamse acts.

NEMO (DigiDaan)
Bordspellen in de bieb
Op de vierde zaterdag van elke maand verandert het leescafé van OBA Roelof Hartplein in een bordspellenparadijs. Spelletjeswinkel Friends & Foes uit de buurt zorgt voor de nieuwste spellen en de organisatoren leggen ze graag uit. Kom met een groep, of kom alleen en schuif bij andere spelletjesfanaten aan.
Slenteren door de Rijksmuseumtuinen
Zonder Museumkaart kost een bezoekje aan het Rijksmuseum een godsvermogen, tenzij je alleen de prachtige tuinen induikt natuurlijk! De tuinen zijn dagelijks geopend tijdens kantoortijden. Strijk met je vakantieboek neer op een van de bankjes of slenter er op je gemak doorheen en bewonder de kunstwerken tussen het groen.
Gratis naar Museum Cobra
Deze tip is voor de Uilensteders: inwoners van Amstelveen kunnen gratis de Cobra Pas Amstelveen aanvragen, waarmee je elke woensdag voor nop naar het Cobra Museum kunt. Bekijk er de textielcreaties van Andy Warhol of duik The Pop Art Factory in om je eigen button te ontwerpen of een linnen tasje te bedrukken.

Museum Cobra (LNDW Studio)
Fotokunst bij Melkweg Expo
Voor meer gratis kunst kun je naar de Melkweg Expo, de expositieruimte van De Melkweg. Je kunt er het hele jaar door van 11.00 tot 19.00 uur kijken naar het werk van talentvolle kunstenaars. De tentoonstellingen draaien om identiteit, de samenleving en popcultuur. Melkwegbezoekers kunnen ook na sluit nog de expo in.
Schatzoeken in het Stadsarchief
Geen kunst maar wel een gratis museum: de Schatkamer van het Stadsarchief is voor iedereen vrij te bezoeken. Je vindt er de eerste foto’s van Amsterdam, een clubkaart voor de legendarische RoXY, originele brieven van Anne Frank, een eerbetoon aan Johan Cruijff en indrukwekkende kaarten uit de 17e eeuw.

Stadsarchief (Wikimedia)
Lunchconcert in Begijnhof
Verstopt in het Begijnhof – een oase van rust midden in het centrum – vind je de Engelse Hervormde Kerk. Tijdens de zomer kun je in deze hidden gem naar gratis lunchconcerten; afwisselend van koren, harmonieorkesten en andere muziekgroepen. Houd de agenda in de gaten om te zien wanneer de concerten zijn.

Begijnhof (Wikimedia)
De verhuizing zat er al een tijd aan te komen, aangezien het BelleVUe-gebouw op de nominatie staat om gesloopt te worden. Daarmee verliest de campus een geliefd gebouw voor bezetters.

De nieuwe redactieruimte van Ad Valvas.
De nieuwe redactie van Ad Valvas is te vinden op de vijfde verdieping van het OZW-gebouw, dat gelegen zit tussen het NU-gebouw en het hoofdgebouw. Heeft u een nieuwtje, een misstand, een idee of gewoon zin in een praatje? Kom dan langs bij een van onze nieuwe kamers – u bent van harte welkom.
Adres
Wij zijn voortaan te vinden in kamers 5C02, 5C03 en 5C04 van het OZW-gebouw. U kunt ons ook tippen via redactie.advalvas@vu.nl of op Instagram.
Met zijn beurs gaat VU-hoogleraar Juan Rojo op jacht naar het antwoord op die ene prangende vraag: hoe ziet een proton er van binnenuit uit? Ondanks dat protonen behoren tot de bouwstenen van het universum – ze zijn onderdeel van een atoom – zijn er nog veel open vragen over hun interne structuur. “We weten dat protonen bestaan uit quarks en gluonen, maar hoe deze deeltjes precies samenwerken en welke rol zwaardere quarks en antimaterie daarin spelen, begrijpen we nog onvoldoende,” aldus Rojo op de site van de VU.
Rojo wil zijn hoofdvraag op een verrassende manier beantwoorden, namelijk met neutrino’s die vrijkomen bij botsingen in een deeltjesversneller bij CERN, het internationale onderzoeksinstituut voor de kleinste deeltjes op aarde. Neutrino’s, vrijwel onzichtbare deeltjes, zijn sinds kort te meten met nieuwe detectoren. Daarmee hoopt Rojo niet alleen het proton beter te begrijpen, zijn onderzoek zal ons ook meer leren over extreme verschijnselen in het heelal, zoals zeer energierijke deeltjes. “Mijn project overbrugt zo de kloof tussen de kleinste structuren in de natuur en de meest energierijke processen die zich in het universum afspelen,” zegt Rojo.
In deze ronde verdeelde ERC in totaal 840 miljoen euro. Dat is ruim 100 miljoen meer dan vorig jaar. Met dat geld is er een recordaantal beurzen toegekend. Desondanks bleef het slagingspercentage relatief laag.
Dit komt door het groeiende aantal aanvragen. Dit jaar werden er 3329 voorstellen ingediend, ruim dertig procent meer dan vorig jaar. Daarvan zijn er 319 gehonoreerd. Het slagingspercentage ligt hiermee op 9,6 procent. Vorig jaar lag dat nog op 11 procent en het jaar daarvoor op bijna 14 procent.

© HOP. Bron: ERC.
De competitie om de Europese beurzen is dus groot. Volgens de ERC zorgt het stijgende aantal aanvragen voor problemen: er zijn niet genoeg beoordelaars om de voorstellen zorgvuldig te beoordelen. Om de werkdruk te verlagen, wilde de raad eerder dit jaar het aantal aanvragen beperken met strengere regels, maar daar kwam zoveel kritiek op dat dit plan niet is doorgegaan.
Het Verenigd Koninkrijk ontving dit keer veruit de meeste toekenningen (62), gevolgd door Duitsland met 46 en Zwitserland met 32. Nederland staat met 22 beurzen op de zesde plaats. Dat is iets minder goed dan vorig jaar: toen stond Nederland met 24 beurzen op de vierde plaats.
In totaal hebben dertien toponderzoekers die momenteel buiten Europa verkeren een beurs ontvangen: negen uit de Verenigde Staten, twee uit Australië en twee uit Canada. Zij mogen met dit geld een laboratorium of onderzoeksteam op zetten bij een Europese onderzoeksinstelling.
Zeven van hen maken gebruik van het extra geld dat de ERC beschikbaar heeft gesteld voor wetenschappers van buiten Europa, om meer internationaal toptalent aan te trekken. Het budget werd verhoogd toen president Donald Trump de aanval opende op de academische vrijheid in de VS.
In totaal ontvingen 81 vrouwelijke toponderzoekers een ‘advanced grant’, tegenover 237 mannen. Daarmee is slechts een kwart van de laureaten vrouw. Eén was non-binair. De ERC verdeelt ook ‘starting grants’ (maximaal 1,5 miljoen euro) en ‘consolidator grants’ (2 miljoen euro). Daar ligt het aandeel vrouwelijke beurswinnaars doorgaans iets hoger.
Als witte man met de Nederlandse nationaliteit en paspoort vlieg ik overal gemakkelijk naartoe: Rio de Janeiro, Mexico City, Kaapstad, Marrakech, Hanoi; niets lijkt onbereikbaar. De wereld gaat letterlijk voor me open. Ook hoef ik met mijn Nederlandse naam en geboorteplaats niet bang te zijn dat de douane mij extra controleert, of dat ik uit de rij word gehaald om ondervraagd te worden over hoe ik me verhoud tot het regime in Syrië of Irak. Dit privilege is helaas niet voor iedereen. Ik weet nog goed hoe de douane op een luchthaven een vriend een uur lang ondervroeg vanwege zijn Arabische uiterlijk en omdat in zijn paspoort staat dat hij in Bagdad is geboren. Of hoe het vriendje van een vriendin niet mee kon op werkvakantie omdat hij met zijn Syrische paspoort geen visum kreeg voor Egypte. Zijn werkgever was verrast: daar waren ze gewend dat iedereen een westers paspoort had en dus moeiteloos een visum kreeg.
Betty de Hart, VU-hoogleraar transnationale gezinnen en migratierecht, geeft aan dat de ‘paspoortongelijkheid’ feitelijk ‘nationaliteitsongelijkheid’ is. Een paspoort is slechts een document om je nationaliteit aan te tonen, net zoals een ID of een rijbewijs. Een Europese nationaliteit geeft veel vrijheden: “Binnen de Europese Unie heb je dan bijvoorbeeld recht op vrij verkeer. Daarbuiten zijn er afspraken met landen die deel uitmaken van het Schengengebied, zoals Zwitserland en Noorwegen. Binnen dit gebied is er amper controle, geen duidelijke grenzen en je hoeft geen visum aan te vragen.

Een paspoort is slechts een document om je nationaliteit aan te tonen, net zoals een ID of een rijbewijs
En een visum is een visum voor het Schengengebied. Landen die hierbuiten vallen, ziet de Europese Unie als derde landen, zoals Ghana maar ook Amerika. Om migratie te reguleren gelden niet dezelfde regels voor alle derdelanders. Visumvrij reizen, een visumplicht en of je überhaupt een visum krijgt, hangt af van de afspraken die landen onderling maken. Geopolitieke ontwikkelingen hebben invloed op die afspraken en wie welke vrijheden krijgt. Zo krijgen mensen met een Europese en Amerikaanse nationaliteit vaak visumvrije toegang en krijgen zij relatief eenvoudig een visum.”
Door die internationale afspraken krijgt niet iedereen dezelfde behandeling. De Hart geeft een voorbeeld: “Stel jij wordt verliefd op iemand uit Ghana en je buurvrouw op iemand uit Amerika. Zowel jij als je buurvrouw willen samenwonen met die nieuwe geliefde in Nederland. In allebei de gevallen moet de partner in Nederland voldoen aan een inkomenseis. Maar de geliefde in Ghana moet al in Ghana inburgeren en daarvoor bij de Nederlandse ambassade in Ghana een inburgeringstest doen. De Amerikaanse geliefde van je buurvrouw hoeft dat niet. En zo zijn er allerlei manieren van onderscheid. Overheden bepalen namelijk op basis van nationaliteit welke vrijheden mensen krijgen om te reizen voor bijvoorbeeld een kort verblijf, om er te werken, te studeren, of om te vluchten en bescherming te zoeken.”
De Hart ziet dat het aanvragen van visa steeds moeilijker en complexer is. Bovendien gebruikt bijvoorbeeld de Nederlandse overheid profileringssoftware voor de beoordeling van Schengen-visumaanvragen. Deze software onderscheidt visumaanvragers op basis van hun nationaliteit, herkomst, leeftijd en geslacht, waardoor de software een discriminerend effect kan hebben.
De Hart begrijpt dat migranten willen naturaliseren: “Nederlanderschap geeft gelijke behandeling. Migranten willen – net als ieder ander – dezelfde vrijheden hebben en op dezelfde manier worden gezien en behandeld. Ze willen niet méér betalen voor dezelfde reis, willen dezelfde kansen op de arbeidsmarkt krijgen, hun familie kunnen bezoeken en een pasgeboren kind aan hun familieleden kunnen voorstellen door hen op bezoek te laten komen. Het gaat om veel meer dan vrij kunnen reizen. De ‘nationaliteitsongelijkheid’ gaat over fundamentele dingen die invloed hebben op de levens van mensen.”
Maar dezelfde nationaliteit geeft alsnog niet iedereen dezelfde privileges: je naam, achtergrond, etniciteit en kleur beïnvloeden hoe je wordt behandeld aan grenzen en op luchthavens.

Mohammed Badran, oprichter van de Stichting Syrische Vrijwilligers Nederland, studeerde sociale antropologie aan de VU. Hij is een Palestijn, geboren in een vluchtelingenkamp in Damascus, Syrië, en kwam als tiener naar Nederland. De Syrische overheid gaf Badran een verblijfsvergunning voor vluchtelingen, zodoende had hij geen paspoort, maar een niet-erkend reisdocument. Hij was door de overheid als staatloos bestempeld.
‘Met een vluchtelingenreisdocument moet je veel dingen doen: bewijzen dat je geen gevaar bent voor de staat én dat je ook weer weggaat’
Eenmaal in Nederland kreeg Badran het reisdocument dat Nederland geeft aan vluchtelingen: “Het vluchtelingenreisdocument vanuit Nederland geeft ook al wat toegang: je mag reizen binnen Europa, je kunt visa krijgen. Ik heb toen ik dat document kreeg een semester gestudeerd in Zuid-Afrika, toen had ik nog niet de Nederlandse nationaliteit. Maar ook met dat document zie je verschillen: het lukte mij niet om een normaal reisvisum te krijgen voor Zuid-Afrika. Als je een vluchtelingenreisdocument hebt, moet je veel dingen doen én bewijzen dat je geen gevaar bent voor de staat én dat je ook weer weggaat.”
Inmiddels heeft Badran de Nederlandse nationaliteit. Nu kan hij gemakkelijker reizen, maar toch krijgt hij niet dezelfde behandeling als een witte Nederlander, geboren in Nederland. Badran vertelt dat hij recent terugkwam van een bezoek aan Syrië: “Ik vloog via Istanbul naar Nederland en had een heel korte overstaptijd. Toen ik het vliegtuig verliet in Istanboel kwam er ineens beveiligingspersoneel. Ze kozen uit alle passagiers tien mannen met een Arabisch uiterlijk bij wie ze een extra veiligheidscheck wilden doen. Ik was een van hen. Ik heb meerdere keren aangegeven dat ik maar weinig tijd had om over te stappen. Pas toen we bij de verhoorruimte aankwamen en ik mijn Nederlandse paspoort liet zien, mocht ik direct doorlopen.”
De ongelijkheden die voortkomen uit de visumafspraken tussen landen stromen door naar de wetenschap. De Hart geeft aan hoe ze tijdens het organiseren van wetenschappelijke conferenties aanloopt tegen de visumplicht die Nederland stelt aan bepaalde nationaliteiten: “Het is weleens voorgekomen dat een spreker uit het buitenland niet kon deelnemen omdat die geen visum kreeg.”
Ook Badran ziet dit probleem: “Er zijn mensen die een scholarship krijgen in het buitenland, maar door hun vluchtelingenreisdocument voor Palestijnen in Syrië niet naar het land kunnen reizen omdat het reisdocument hen die toegang niet geeft. Documenten zijn heel belangrijk. Mensen met een Nederlands paspoort hebben meer vertrouwen tijdens het reizen, omdat als ze in problemen komen ze de Nederlandse ambassade kunnen bellen voor hulp.”
Waar het aanbod in de kantines en de catering van de VU de afgelopen jaren steeds meer vegetarische opties kreeg, wordt dat per 1 juli de standaard. Alleen op aanvraag is het mogelijk om vlees of vis bij je maaltijd te bestellen. Hiermee bouwt de VU haar visie uit, die gericht is op planeetvriendelijk eten en drinken.
In het plan schrijft de VU dat de universiteit producten met een hoge CO2-uitstoot gaat vervangen door lokaal geproduceerde ingrediënten. Want, zo is de gedachte, minder vervoer is minder uitstoot. Ook gaat de VU meer gebruikmaken van seizoensgebonden en biologische producten. Daarnaast wil de universiteit medewerkers en studenten op ‘een positieve en informerende wijze’ bewust maken van de duurzaamheidsimpact van hun keuzes. Hiervoor zet de VU onder andere nudging in: mensen op een subtiele manier in een bepaalde richting duwen zonder hun keuzevrijheid weg te nemen, bijvoorbeeld door duurzame opties op ooghoogte te zetten.
Ook al gaat het menu op de schop, de VU belooft dat de prijzen hetzelfde zullen blijven. ‘De exacte prijzen worden bepaald door de aanbieders, maar deze zullen vergelijkbaar zijn en niet duurder’, schrijft Dewi Smeenk, communicatieadviseur bij de Facilitaire Campus Organisatie (FCO).
Ook het aanbod in de automaten op de campus wordt ‘planeetvriendelijker’. Zo komen er vanaf 2027 meer koffieautomaten met plantaardige melkopties en zijn de koffiebonen voortaan duurzaam, mét een Fairtrade keurmerk.
Volgend jaar biedt de VU geen flesjes water meer aan in de vendingmachines. In plaats daarvan stimuleert de VU het drinken van water met zogeheten ‘waterbars’. Wat dat precies inhoudt, wordt in de nieuwe plannen niet uitgelegd. Verder zijn er vanaf 2027 alleen nog maar flesjes met statiegeld te koop in de automaten.
De universiteit gaat de handhaving op wegwerpspullen versterken: voor catering geldt een verbod op onnodig wegwerpmateriaal, en externe cateraars die op de campus leveren, moeten hun eigen servies meenemen én de vuile vaat zelf weer ophalen.
Duurzaamheidsliefhebbers of mensen met een kleine portemonnee kunnen hun hart ophalen met Too Good To Go, waarvan de VU sinds kort gebruikmaakt. Met dit platform kunnen restaurants en winkels het voedsel dat ze dagelijks over hebben tegen flinke kortingen aanbieden. Hiermee wil de VU voedselverspilling tegengaan.
Nieuwe cateraar
Tegelijk met het nieuwe aanbod krijgt de VU per 1 juli een nieuwe cateraar: Vitam. Volgens de website van Vitam is het bedrijf ‘de grondlegger van bewuste catering’ en krijgen medewerkers ‘alle ruimte om in hun restaurant eigen keuzes te maken’. Wat de komst van de nieuwe cateraar betekent voor de individuele uitbaters, zoals de Indonesische eetkraam in het hoofdgebouw en de Surinaams-Javaanse broodjeszaak in het MF-gebouw, is nog onduidelijk. ‘Vitam is met deze, én andere partijen, in gesprek’, schrijft FCO-medewerker Dewi Smeenk.