Popup-Niks-missen-2.png

OPINIE

25 februari 2021

Rutte heeft de sociologie juist nodig

Subtitel

Premier Rutte moet er niet veel van hebben, maar sociologie kan hem helpen begrijpen waar zijn coronabeleid toe leidt, menen de sociologen Jan Willem Duyvendak en Mark van Ostaijen.

 

Rutte sociologie blind vvd

Het is ons duidelijk. Premier Rutte is historicus en dus geen socioloog. Zo stelde hij in het Tweede Kamerdebat over institutioneel racisme graag ‘weg te blijven’ van dat woord, want: ‘sociologisch jargon’ en daar heeft hij een ‘hekel’ aan. In reactie op wijkrellen in Utrecht stelde hij zelfs: “Ik ben geen socioloog en dat wil ik ook helemaal niet zijn.” Toen een journalist bij een zomerse persconferentie vroeg om onze covidaanpak te vergelijken met andere landen, verontschuldigde hij zich “want ik ben geen socioloog.” En recentelijk stelde de premier niet op zoek te willen naar ‘sociologische verklaringen’ rondom de avondklokrellen.

Anders dan premier Rutte zijn wij wél sociologen. Zodoende nodigen we hem als beroepsgroep graag eens uit voor een goed gesprek over zijn sociologiefobie. Want hij heeft een verkeerd beeld van de sociologie, namelijk als een discipline die ongepast gedrag rechtvaardigt. Daarmee doet hij de sociologie, zichzelf en Nederland tekort.

Wij begrijpen dat in een pandemie in eerste instantie wordt geluisterd naar virologen en epidemiologen. Toch mogen sociale wetenschappers niet langer meer ontbreken, juist omdat deze pandemie bij uitstek een sociaal fenomeen is: het toont eens te meer onze onderlinge afhankelijkheid. Gezondheid, welzijn en veiligheid overstijgen het individu. En in de ons omringende landen worden sociaal-wetenschappers wél geraadpleegd om advies. Dus wat levert sociologisch inzicht op?

Maatschappelijke schade

Ten eerste vergroot een lockdown sociale tegenstellingen en ongelijkheid. Er is vaak opgemerkt dat Covid-19 geen onderscheid maakt tussen arm, rijk, machtig of onmachtig. Het tegendeel is waar. Want terwijl het virus zowel regeringsleiders als kansarme burgers besmette, slaan de beleidsmaatregelen vooral hard neer op klassieke en nieuwe kwetsbare groepen, zoals lager opgeleiden, ouderen, zzp’ers en jongeren. De maatschappelijke schade is immens en spreekt uit de harde feiten van grootschalig survey-onderzoek. Die ongelijkheid verdient aandacht en zorg, juist vanuit de overheid.

Ten tweede, het begrijpen van in plaats van begrip hebben voor het onbegrip dat tot uitdrukking komt in rellen. In de afgelopen decennia waren ook steden als Londen, Parijs en Stockholm het decor van rellen. De aard, ernst en aanleiding verschillen, maar de reacties zijn vaak hetzelfde. Te harde morele veroor­delingen zoals ‘crimineel geweld’ of ‘tuig’ en te globale duidingen zoals ‘hedonisme’ of ‘neoliberalisme’ wisselen elkaar af. Conflictstudies tonen echter aan dat urban riots voortkomen uit een specifieke combinatie van onvrede, een roep om aandacht (zie mij, hoor mij, ken mij) en organisatiekracht, zoals via sociale media. Daarbij valt op dat het vaak jonge mannen betreft. De context verschilt van rel tot rel, van Eind­hoven tot Urk, maar het kennen en voorkomen van deze ongeregeld­heden vraagt om meer dan simpel law&order-beleid.

Tot slot het belang van wetenschap. Ruttes badinerende opmerkingen zouden wij onbeantwoord laten, als zij niet zouden passen in een helaas steeds vaker gehoorde opvatting dat ‘wetenschap ook maar een mening is’.

Ieder zijn eigen waarheid

Als dat de dominante gedachte wordt, raken we niet alleen de basis kwijt voor gefundeerd beleid, maar ook van de mogelijkheid om met elkaar in gesprek te blijven. Dan krijgt iedereen zijn of haar eigen waarheid en stokt de conversatie. De advisering is nu te veel gemonopoliseerd door virologen en epidemiologen. Dat wordt inmiddels breed erkend. Sociologisch onderzoek verrijkt de advisering met inzichten over sociale ongelijkheid, burgerlijke onvrede en de positie van kennis. Inzichten om het draagvlak voor soms pijnlijke beleidsmaatregelen te vergroten.

Met bovenstaande drie punten zoeken we die conversatie bewust op. Niet om met sociologische verklaringen afwijkend gedrag te vergoelijken. Maar om afwijkend beleid van sociologische inzichten te voorzien. Aangezien Covid-19 niet langer een medisch, maar een maatschappelijk probleem is.

Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie en Mark van Ostaijen is bestuurssocioloog. Met dank aan Pearl Dykstra en Godfried Engbersen.

ILLUSTRATIE: BAS VAN DER SCHOT

 

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.

Deze vraag is om te controleren dat u een mens bent, om geautomatiseerde invoer (spam) te voorkomen.