Opinie

09 maart 2020

Loting voor studie is eerlijker dan selectie

Het lijkt eerlijk, decentrale selectie van studenten, maar schijn bedriegt, vinden Alex Tess Rutten en Monty Aal.

De Tweede Kamer stemde onlangs over een motie die loting weer mogelijk maakt in het hoger onderwijs. Kamerleden Jan Paternotte (D66) en Harry van der Molen (CDA) hadden de regering per motie verzocht om loting weer toe te voegen aan de middelen die hogeronderwijsinstellingen kunnen gebruiken om studenten bij populaire studies te selecteren. Hun motie kreeg de steun van 110 Tweede Kamerleden, alleen de fracties van VVD, ChristenUnie, Forum voor Democratie en zelfstandig Kamerlid Van Haga onthielden hun steun. Dat is goed nieuws: een behoorlijk ruime Kamermeerderheid wil loting dus weer toestaan als middel om studenten te selecteren voor studies met een numerus fixus, zoals geneeskunde.

Ook onderwijsminister Ingrid van Engelshoven gaf aan bereid te zijn om te kijken naar het weer mogelijk maken van loting. Dit zijn allemaal positieve ontwikkelingen, want de huidige decentrale selectie – waarbij opleidingen door middel van brieven en gesprekken de motivatie en geschiktheid van aankomende studenten toetsen – heeft zijn langste tijd gehad. Waarom? Omdat decentrale selectie bepaalde groepen studenten voortrekt en andere consequent achterstelt.

Selectie is in essentie niet meer dan een manier om schaarse onderwijsplaatsen te verdelen. Decentrale selectie heeft de schijn dat het een eerlijker verdeelmechanisme is, omdat het studenten in staat stelt zelf invloed te hebben op hun toelating. Maar decentrale selectie is juist oneerlijker dan loting. Lang niet iedereen heeft bijvoorbeeld ouders die mee kunnen kijken naar de motivatiebrief, of ouders die een dure voorbereidende training kunnen betalen.

Dit zien we ook terug bij de groepen die door decentrale selectie structureel benadeeld worden: eerstegeneratiestudenten, studenten met een niet-westerse migratieachtergrond, studenten met een lagere economische positie en studenten van het hbo hebben allemaal minder kans om toegelaten te worden.

Met andere woorden: juist de groepen studenten voor wie de stap naar de universiteit relatief het grootst is, worden het meest benadeeld. Al jaren zeggen politici dat ze de kansenongelijkheid in het hoger onderwijs willen tegengaan. Toch zien we dat de kloof tussen verschillende groepen almaar groter wordt.

Als we kansenongelijkheid echt willen bestrijden, zorgen we dat studenten die de poort van de onderwijsinstelling bereiken, ook daadwerkelijk de kans krijgen om te gaan studeren: een eerlijke kans.

Bij gelijke kansen gaan we ervan uit dat iedereen hetzelfde startpunt heeft en vandaaruit dezelfde kansen moet krijgen. Helaas is dit niet de werkelijkheid en zijn er bepaalde groepen die op sommige momenten meer hulp nodig hebben om te compenseren voor de kansen die een ander automatisch vanuit huis heeft meegekregen. Loting kijkt niet naar je achtergrond en biedt daarom de meest eerlijke kansen aan alle studenten.

Daarom roepen wij de regering nogmaals op tot opheffing van het verbod op loting. Daarmee kiest zij voor echte kansengelijkheid.

Alex Tess Rutten is voorzitter en Monty Aal is vicevoorzitter van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb).

Dit is een uitgebreide versie van hun opiniestuk dat eerder is verschenen in dagblad Trouw.

Alex Tess Rutten en Monty Aal

hits 104

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.

Deze vraag is om te controleren dat u een mens bent, om geautomatiseerde invoer (spam) te voorkomen.