Opinie

05 december 2013

Arme mensen zijn vogelvrij in participatiesamenleving

De participatiesamenleving is slecht voor mensen uit de onderklasse. Die hebben helemaal geen netwerk dat hen kan helpen. Aldus jurist en filosoof Marc Schuilenburg.

Participatiesamenleving is uitgeroepen tot het woord van 2013. Het versloeg sletvrees, selfie en shariawijk. Koning Willem-Alexander introduceerde het in zijn Troonrede. Hij sprak daarin over een samenleving waarin burgers meer verantwoordelijkheid moeten gaan nemen voor hun leven en omgeving. In het Verenigd Koninkrijk noemt men dit een ‘Big Society’. Het idee daarachter is dat oplossingen voor maatschappelijke problemen worden gevonden in de samenleving – en niet meer bij de overheid.

Ontnuchterend

Politiek gezien is de participatiesamenleving een gulden middenweg voor de Nederlandse coalitie. De PvdA is af van de werking van de markt en de VVD is verlost van een te grote overheid. Maar het idee dat we hiermee een nieuw tijdperk betreden, is onjuist. Er is niets nieuws aan een participatiesamenleving. Burgers zijn sinds de jaren 1990 al object van een activeringsbeleid waarin ze worden betrokken bij zaken als veiligheid, wonen en welzijn. Premier Mark Rutte was de eerste om toe te geven dat hij geen idee heeft waar ons land naartoe moet, een ontnuchterende boodschap voor iedereen die dacht te hebben gestemd op een politicus die Nederland uit de economische malaise zou halen.

Tribale samenleving

Participatiesamenleving is vooral een modieuze term voor forse bezuinigingen op de collectieve sector. Daarbij verschuift de zorg door de overheid voor collectieve voorzieningen van een recht naar een gunst. Een fraai voorbeeld hiervan is het werkgelegenheidsbeleid. Word je werkloos, dan moet je eerst aankloppen bij familie en vrienden voor advies – en misschien een baan. Pas daarna komt de overheid in actie via het UWV. Dit verlenen van diensten aan elkaar roept associaties op met de wijze waarop in tribale samenlevingen sociale relaties werden opgebouwd. Marcel Mauss heeft in zijn beroemde werk Essai sur le don uit 1924 laten zien hoe het onderling uitwisselen van goederen en diensten de grondslag vormt van onze sociale orde. Het gaat hierbij om de drievoudige morele verplichting te geven, te ontvangen en iets terug te geven. Maar er ontstaat een groot probleem wanneer je niets terug kan geven, omdat je hiertoe niet de middelen hebt.

Baantjesmolen

De overgang van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving dreigt slecht uit te pakken voor de minder bedeelden onder ons. Verlies je als Kamerlid je baan? Geen probleem. Hiervoor is de politieke baantjesmolen die zorgt dat je altijd nog burgemeester kan worden. Moet je weg als bestuurder van een grote bank? Geen nood. Bevriende collega’s vragen je wel commissaris te worden bij een andere financiële instelling. Maar dit alles ligt wat ingewikkelder wanneer je aan de onderkant van de samenleving bungelt en over weinig sociale contacten beschikt. Probeer dan maar je persoonlijke netwerk aan te spreken voor een nieuwe baan. Weinig kans dat je buren of vrienden je hierbij kunnen helpen. Voor een steeds groter wordende onderklasse ligt zo een verder isolement in het verschiet. Participatie zonder verandering van de bestaande machtsrelaties leidt dan ook tot het recht van de sterkste. ‘Vogelvrije samenleving’ zou een beter woord van het jaar zijn geweest.

Marc Schuilenburg, docent aan de afdeling Strafrecht en Criminologie. Zijn nieuwste boek heet Orde in veiligheid.

hits 11

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.

Deze vraag is om te controleren dat u een mens bent, om geautomatiseerde invoer (spam) te voorkomen.