04 september 2015

Waarheidsserum

Op het kantoor waar ik werk loopt een teckel rond. Of eigenlijk sjokt hij een beetje waarbij hij in de buurt van de keuken versnelt. In teckeljaren is Dries een jaar of tachtig. Soms kijk je op van je scherm en dan zit hij opeens naast je en dat heb je niet horen aankomen, want Dries bezit als niemand kijkt een soort hoovercraftmechanisme waardoor hij geruisloos nét boven de vloer zweeft en zonder een zuchtje wind kan landen. Dag Dries, kir ik in zo’n geval verliefd, want mijn zwak voor honden is eindeloos. Ik buk me om zijn grijze teddyberenvacht te aaien en vlak voor mijn hand de teckel bereikt, ik zweer dat dit de waarheid is, deukt Dries in. Hij deukt net zo lang in tot hij niet verder in kan deuken en dan zet hij een stap naar achter, zodat ik er helemaal niet meer bij kan. Zwijgend kijkt hij mij vanonder borstelige wenkbrauwtjes even aan, waarna hij zich - zo resoluut als binnen de potentie van een tachtigjarige teckel ligt -omdraait.

Op een teckel projecteer ik mijn angst
onbetrouwbaar te zijn

Het gevoel dat de hond door me heen kijkt en ziet: dat zit niet pluis. Dezelfde sensatie overvalt me als ik mij in de buurt van een kind bevind dat me onafgebroken, zwijgend, maar welhaast in doodsangst aanstaart. In het ergste geval blijft het niet bij bangig kijken, maar schrikt zo’n kind zich de kolere als je het per ongeluk aankijkt en rent het om zijn moeder roepend weg. Zoiets gebeurt altijd in het openbaar, het liefst in een volle tram of op een verjaardag, waardoor ik me niet alleen door een benauwde baby, maar ook door minstens vijftien forensen of feestvarkens begluurd voel. Wat moeten die allemaal wel niet denken? Daar zit een wildvreemde vrouw die zuigelingen schrik aanjaagt. Hijs de hooivork. Bedek het kind.

Het idee dat dieren en kinderen mij beter zouden doorzien dan de mensen met wie ik mij normaal omring, raakt natuurlijk kant noch wal. Op een teckel (met als levensdoel het opvangen van kruimels lunch) projecteer ik mijn angst onbetrouwbaar te zijn. Bij het zicht van een kleinhartige peuter doemt in mij het schrikbeeld op van het Grote Mens (v) met blauwe tanden van de wijn, lippenstift in de plooien rond haar mond, een hals als die van een kalkoen en de neiging iedereen onder de dertien hard in de wangen te knijpen en gênante vragen te stellen. O, trauma’s, o, zo word ik nooit, want dat soort mensen, dat komt met de plooirok aan en het paarse permanentje op de kop hun moeder uit.

Toch zou het mooi zijn, zo’n sprookjesachtig waarheidsserum in de vorm van onschuldige wezens die op hol slaan bij het zien van ploerten. Je hoeft, ik noem maar wat, bij een Kamerdebat over bootvluchtelingen alleen maar een teckel en een baby los te laten om ze weer in ontwrichte staat op te vangen na de aanblik van een stel xenofobe VVD’ers. Duidelijkheid. Zolang er maar niemand kruimelt.

hits 4

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.

Deze vraag is om te controleren dat u een mens bent, om geautomatiseerde invoer (spam) te voorkomen.