Niet méér studenten, maar betere
De financiering per studiepunt en diploma heeft tot de pervertering van het hoger onderwijs geleid. Meer numerus-fixusstudies en plaatsingcommissies kunnen die ellende oplossen, denkt Bert van der Spek, hoogleraar oude geschiedenis.
13 oktober 2010
‘Nederland heeft de ambitie om te behoren tot de top-vijf van kenniseconomieën’, zo lezen we in het nieuwe regeerakkoord. Dat is erg mooi, maar dat roepen diverse kabinetten al jaren. In werkelijkheid is het beleid gericht op vervlakking en niveaudaling dankzij de perverterende outputfinanciering. Onderwijsinstellingen krijgen hun geld op grond van het aantal uitgereikte bullen en studiepunten. Diploma-inflatie is echt niet alleen iets van de Hogeschool Inholland.
Eenheidsworst De universiteiten bestrijden elkaar met dure reclamecampagnes om zoveel mogelijk studenten binnen te halen. Grote ‘renderende’ (= massale) opleidingen worden gekoesterd, kleine gespecialiseerde opleidingen moeten verdwijnen. Wijd en zijd wordt gepleit voor brede bacheloropleidingen. Deze studies zullen niet de grote bollebozen van de toekomst voortbrengen. Die moeten we verwachten van kleine, bedreigde opleidingen als wiskunde, natuurkunde en scheikunde.
Ook opleidingen die belangrijk zijn voor het bewaren van ons erfgoed, zoals archeologie, assyriologie en egyptologie hebben het moeilijk. Zij mogen alleen voortbestaan als zij veel studenten trekken, wat maatschappelijk ongewenst is en die opleidingen nodeloos duur maakt. De concurrentiestrijd leidt niet tot specialisatie, maar tot eenheidsworst. De Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten is een machteloze organisatie, omdat je nu eenmaal niet kunt samenwerken en concurreren tegelijk.
Kwart afhakers Maar er is hoop. ‘Het rapport van de commissie Toekomstbestendigheid hoger onderwijs (commissie-Veerman) wordt uitgevoerd, met inbegrip van ruimte voor selectie, op kwaliteit gerichte bekostiging met minder perverse financiële prikkels en het stimuleren van excellentie’, aldus opnieuw het regeerakkoord. Met die perverse prikkels wordt de outputfinanciering bedoeld.
De voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Utrecht, Yvonne van Rooy, heeft in haar rede bij de opening van het academisch jaar gepleit voor ‘een nieuwe vorm van bekostiging die niet meer op aantallen studenten gebaseerd is, maar op de capaciteit die met de overheid op basis van het profiel van een instelling afgesproken wordt.’ Zij constateerde dat een kwart van de studenten al in hun eerste jaar afhaakt. Daarom is zij voorstander van de invoering van een numerus fixus bij te grote opleidingen als economie en rechten. Niet méér studenten, maar betere.
Plaatsingscommissie Ik wil mij graag bij dit voorstel aansluiten. De universiteiten kunnen dan ook eindelijk eens samenwerken en de last van kleine opleidingen verdelen. Ik wil daarbij niet alleen pleiten voor een numerus fixus, maar ook voor een plaatsingscommissie. Om een voorbeeld uit mijn eigen vakgebied te noemen: de Universiteit Utrecht kreunt al jaren onder de last van het veel te hoge aantal eerstejaarsstudenten geschiedenis (ca. driehonderd). De VU (zestig eerstejaars) kan Utrecht helemaal gelukkig maken door er veertig over te nemen. Zo’n plaatsingscommissie heeft in het verleden goed gewerkt. Studenten voor wie de VU tweede keus was, voelden zich al na enkele weken thuis. Misschien kan onze voorzitter van het CvB eens bij zijn Utrechtse collega een kopje koffie gaan drinken.
Bert van der Spek is hoogleraar oude geschiedenis bij de opleidingen geschiedenis, oudheidkunde, archeologie en Griekse en Latijnse taal en cultuur.
Reageren? Mail naar:
Dit e-mail adres is beschermd tegen spambots, u heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
 |