OUDERS ZIJN VRESELIJK ‘Waarom ging je ooit Engels studeren?’ vraag ik Diederik van Oostdijk, een jonge universitair docent moderne Amerikaanse literatuur aan de letterenfaculteit. ‘Door ‘The Catcher in the Rye’ van J.D. Salinger. Ik las het boek toen ik een jaar of vijftien was. Dacht: dit verhaal gaat over mij. Het gaat over Holden Caulfield, een puber, die in het Amerika van de jaren vijftig van school is gestuurd en het zijn ouders niet durft te vertellen en door New York dwaalt. Natuurlijk ging dat niet over mij, maar ik herkende het levensgevoel. De eenzaamheid van Holden, zijn verlangen naar liefde en echtheid, het gevoel overal buiten te staan en tegelijkertijd jezelf heel bijzonder vinden. De problemen die hij met zijn ouders heeft.’ Ik veer op. ‘The Catcher in the Rye’, oftewel ‘De Vanger in het Graan’ in de Nederlandse vertaling was ook mijn lievelingsboek toen ik een puber was. Ik herken precies wat Diederik zegt. Het boek hielp me door die vreselijke jaren waarin ik me vervreemd voelde van alles en iedereen, nog het meest van mezelf. Wie ben ik? Wat moet ik in godsnaam doen in deze wereld? In dit leven? Toen ik mijn eerste roman ‘Blauw Metaal’ ging schrijven, verwerkte ik vanzelfsprekend ‘The Catcher in the Rye’ erin. Ik weet niet of Salingers roman tegenwoordig ook nog wordt gelezen door adolescenten en twintigers, maar ik hoop van wel. Want het boek is van een adembenemende tijdloze schoonheid en bovendien is Holdens stem zo modern dat het boek anno 2009 geschreven had kunnen zijn en niet halverwege de vorige eeuw. Bovendien helpt het echt tegen eenzaamheid, die bijna iedereen op een bepaald moment in zijn leven wel moet voelen, en niet alleen in de puberteit. Holdens stem is zo echt en intiem dat je wel van steen moet zijn, wil je je niet met hem kunnen identificeren. De opmerking van Diederik van Oostdijk zette me aan het denken. Een dag eerder had ik een gesprek met derdejaars rechtenstudentes Nina en Monique, die me vertelden hoe zwaar die eerste jaren op de VU voor hen waren. Niet in de eerste plaats door de studie maar vooral door hun ouders, die ab-so-luut geen zier begrepen van hun leven en wie ze waren.. En eigenlijk speelde dat al veel langer, tijdens hun middelbare schooltijd. In feite waren ze veel slimmer dan hun ouders en begrepen die ouders niets van de verlangens en dromen van hun dochters. Nina werd gepest op de lagere school omdat ze een ‘stuudje’ was, maar haar ouders weigerden het gewoon te erkennen, waarschijnlijk omdat ze het te pijnlijk vonden voor zichzelf. Vreemden werden ze voor elkaar, intieme vreemden. Monique had altijd ruzie met haar vader, die overspannen was en thuis duimen zat te draaien en de baas probeerde te spelen over zijn dochter en vrouw. Ze vertelde nu helemaal geen contact meer te hebben met haar ouders. ‘Ik moet even afstand nemen, zelf sterker worden, de pijn die ik heb opgelopen in mijn jeugd een plek geven.’ O Holden, wat moet ik toch steeds aan je denken. Jouw verhaal reist mijn hele leven al met me mee. Ouders zijn gewoon vreselijk. Ikzelf heb de nodige schade opgelopen aan mijn opvoeding, serieuze schade waar therapie voor nodig was om me weer ‘op de rails’ te krijgen, zeg maar. Maar nu ik zelf ouder ben van een zoon van negentien en een dochter van dertien, besef ik pas hoe moelijk opvoeden is. Hoe opvoeding bijna per definitie gedoemd is te mislukken. Want kinderen moeten zich afzetten, losmaken, hun eigen fouten en stommiteiten maken en doorleven, hun eigen successen behalen om een zelfstandig individu te worden. En daar sta je dan als ouder met je goede voornemens om het ‘allemaal helemaal anders te doen’, en moet je toegeven dat je tegen je zin meer op je vader of moeder lijkt dan je ooit had gedacht. Christine Otten, maart 2009.
|