29 november 2018

Alleen

Sinds een aantal maanden woon ik alleen. Dat wil zeggen, ik deel mijn appartementencomplex en bijbehorende wasruimte wel met 200 andere studenten, maar in mijn studio is alles voor mij alleen. Ik heb mijn eigen keuken, mijn eigen badkamer, mijn eigen kleding op de grond en mijn eigen koelkast: leeg op een oude prei na.

Ik wist helemaal niet hoe het is om alleen te wonen. Altijd ben ik iemands huisgenoot geweest. Ik ben de huisgenoot geweest van mijn ouders, van relaties, van vrienden, van hospita’s. Natuurlijk waren dat allemaal verschillende soorten relaties, maar toch heb ik me in mijn woonsituaties altijd moeten verhouden tot de ander. Er was altijd iemand die me erop wees dat ik nog op moest ruimen, mijn afwas had laten staan. Er was altijd iemand met wie ik mee kon eten als ik een lange dag op school of werk had, iemand die vroeg “gaat het?” als ik mijn teen stootte, iemand om First Dates mee te kijken.

Nu woon ik alleen en meestal vind ik dat heerlijk. Nu bepaal ik helemaal zelf wanneer ik de afwas doe. Ik kan plassen met de deur open en al mijn vrienden op het laatste moment bij mij thuis uitnodigen zonder iemand te hoeven waarschuwen, of toch opeens buiten de deur eten of slapen, ook zonder iemand daarvan op de hoogte te moeten stellen.

Maar vandaag vind ik het alleen wonen helemaal niet leuk. Na een lange en moeilijke scriptiedag kom ik uitgeput thuis. Mijn studio is koud en stil, zelfs als ik alle lichten aandoe en muziek opzet. Mijn afwas staat in de gootsteen opgestapeld. Mijn wasmand puilt uit. Op tafel staan nog verspreid de resten van een fijne avond met vrienden: een aangebroken fles wijn, aangekoekte borden, opgebrande kaarsen. Niemand is tussendoor thuis geweest om hier op te ruimen of te zeggen dat ik dat zelf moet doen en in mijn koelkast ligt nog steeds alleen die ene oude prei.

Ik word overvallen door een groot verlangen even niet alleen te zijn

Ik word overvallen door een groot verlangen even niet alleen te zijn. Opeens vind ik het een heel onprettig idee dat ik met 200 studenten woon en dat ik van geen van hen de naam weet. Ik sms al mijn vrienden, kun je afspreken, kun je afspreken, kun je afspreken, maar niemand kan of heeft tijd of antwoordt. Dus doe ik mijn huiswerk voor de komende week, kijk What-I-Eat-in-a-Day-(Vegan! Plantbased!)-vlogs, werk de vaat weg, luister een podcast en nog steeds is het geen bedtijd. Mijn uitpuilende wasmand blijft me aankijken. Ik gris de fles wijn en een glas van tafel, neem mijn armen vol met wasgoed en daal - met de fles wijn - af naar de wasruimte.

In de wasruimte zitten drie andere studenten. Twee zijn aan het laptoppen, een leest een boek. Allemaal zijn ze aan het wachten op hun was. “Hoi”, zeg ik, “hoi”, zeggen zij.
Ik doe mijn was in de machine en schenk een glas wijn in. De lezende student kijkt op.
“Wil je ook?” vraag ik, knikkend naar de wijn.
Ze aarzelt even. “Ik heb geen glas”, zegt ze.

Wacht”, zegt een van de laptoppende studenten. “Ik woon op de eerste verdieping, ik pak wel een glas.”
“Ik heb ook nog een fles open”, zegt de andere laptoppende student. “Ik haal ’m even.” 

De hele avond blijven we zitten. Lezend, laptoppend, wijn drinkend, studerend, wassend. Als ik rond middernacht terug naar mijn studio ga om te slapen, ben ik heel blij dat ik in dit studentencomplex woon. Ja, ik woon met 200 studenten van wie ik de naam niet weet. Maar als ik me echt onprettig alleen voel, kan ik altijd nog de was gaan doen.  

 

hits 39

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.

Deze vraag is om te controleren dat u een mens bent, om geautomatiseerde invoer (spam) te voorkomen.