Een beschaafd mens

15 juni 2015

Een beschaafd mens

“Machteloos voel ik me!” roep ik uit. Mijn lief kijkt met een half oog op van de krant.
“De subsidie voor mijn roman komt er maar niet. De literaire stichting doet er eindeloos over om te beslissen.”
“Maar je roman wordt toch uitgegeven?”
“Ja, met sint-juttemis als het zo doorgaat.”
De krant wordt neergelegd. “Je hebt je roman geschreven en een uitgever gevonden. Wat wil je nu doen? De leden van de stichting stalken en met het mes op de keel die subsidie afdwingen?”
“Nee, natuurlijk niet. In mijn fantasie misschien,  maar in werkelijkheid ben ik daar veel te beschaafd voor.”
“Ik zou me niet zo druk maken over zaken waar je geen invloed op hebt. Wat jij moet doen, is je zinnen verzetten. Om te beginnen vanavond. Over beschaving gesproken: wij gaan vanavond naar een toneelstuk waar dat thema op de korrel wordt genomen.”

En zo fietsen we even later naar een oude fabriekshal aan de rand van Utrecht waar het toneelstuk De stad der blinden speelt, naar de roman van José Saramago. Ik laat me meevoeren in het verhaal over een stad waar een vreemde epidemie heerst. Een aantal bewoners wordt plotseling blind. De blinden worden in quarantaine geplaatst, op een eiland. Ze mogen niet weg, krijgen te weinig eten en de hygiëne laat te wensen over.  Als de normen en waarden van de samenleving weg vallen is het verbijsterend hoe snel de mens zijn beschavingslaag afpelt. Is dit de mens in zijn kern: een schaamteloos wezen?  Mijn persoonlijke beslommeringen lijken ver weg. Ik vraag me af hoe ik zou reageren in zo’n situatie. Ik ben toch beschaafd?

Een engel boven mij fluistert:
“Vind je jezelf niet een klein beetje belachelijk?”

Dan zie ik mezelf op het perron staan, wachtend op de trein naar Amsterdam-Zuid. Mijn forensentrein voor jaren. In de verte zie ik hem aankomen. De wachtende menigte komt in beweging. En dan schiet hij naar voren: het mannetje. Ik heb hem hier vaak gezien. Een kleine man met kort geknipt zilverwit haar, gehuld in een beige jas. Altijd lukt het hem om als eerste in te stappen. Maar dit keer zal dat niet gebeuren. Daar schiet hij voor me langs, terwijl de trein langzaam in tegengestelde richting tot stilstand komt. De deur is vlak voor ons. Om als eerste bij de deur te komen, moet hij iets meer achteruitlopen, maar daar sta ik. En ik ben niet van plan te wijken.

"Hee, kun je niet uitkijken?” roept hij verontwaardigd als hij tegen me opbotst. Ik geef geen krimp. Maar hij wil koste wat kost als eerste de trein in. Tot mijn verbazing duwt hij me weg en manoeuvreert langs me heen zodat hij toch voor mij in kan stappen. Dat laat ik niet op me zitten. Ik loop zo vlak achter hem dat mijn voet in de zijne haakt. Hij struikelt bijna, maar loopt met snelle passen door, het trapje op naar de bovenverdieping van de trein. Halverwege draait hij zich naar mij om en roept: “Eikel!”
Ik wil hem woest achternagaan. Op hetzelfde moment zweeft een engel boven mij en die fluistert: “Wat ga jij nu doen? Die vent door de trein achtervolgen? En dan? Wat ga je hem zeggen? Eén ding is zeker: je hebt  genoeg publiek. Maar vind je jezelf niet een klein beetje belachelijk?“
Met een rood hoofd keer ik op mijn schreden terug. Voor straf moet ik de hele reis staan. 

Tijdens de spits wordt bij een naderende trein voortaan omgeroepen:
Al wie hier instapt, laat alle hoop op beschaving varen.

 

hits 4629

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties