Religie en wetenschap gaan niet samen, gelooft nog menig verstokt rationalist. Maar is dat wel zo? Het was juist de zoektocht naar God die de moderne wetenschap op gang heeft gebracht, betoogt Ad Valvas-redacteur Peter Breedveld. Lees hier het hele artikel (PDF).
Hits: 5931
Commentaar (6)
Geen rivalen op religieus gebied geschreven door Ab Flipse,
24 september 2008
In het artikel ‘God onder de microscoop’ (Ad Valvas 03) bekritiseert Peter Breedveld terecht de opvatting dat er een eeuwenlange vijandschap zou hebben bestaan tussen religie en wetenschap. In plaats daarvan verdedigt hij een andere stelling, namelijk van voortdurende rivaliteit tussen kerk – of bijbels geloof – en wetenschap. Omdat kerk en wetenschap beide meenden het monopolie te hebben op de kennis over God, werden ze tot rivalen op religieus gebied. Ook dat verhaal is echter een versimpeling van de complexe relatie die er in de geschiedenis heeft bestaan tussen geloof en wetenschap.
De zeventiende- en achttiende-eeuwse natuuronderzoekers die Breedveld opvoert, ervoeren zelden een dergelijke tegenstelling tussen de God van de openbaring, en die van de natuur. Leidraad voor veel onderzoekers was juist de gedachte dat dezelfde God zich zowel liet kennen in de natuur als in de bijbel. Natuuronderzoekers als Newton en Boyle zagen hun onderzoek als ‘philosophical worship of God’. Bovendien waren er veel geestelijken die zich actief bezighielden met natuuronderzoek. Inzichten hieruit werden regelmatig gebruikt om traditionele geloofswaarheden te verdedigen en omgekeerd inspireerden theologische noties tot nieuwe theorieën over de natuur. De God wiens eigenschappen Newton naspeurde in de natuur, was dezelfde als de God die hij tegenkwam tijdens de vele uren die hij besteedde aan bijbelstudie: een God die handelend optrad in de natuur en de geschiedenis.
De gedachte dat er een conflict zou bestaan tussen kerk en wetenschap stamt met name uit de tweede helft van de negentiende eeuw. In Groot-Brittannië werden in deze periode felle debatten gevoerd over nieuwe theorieën als die van Darwin en de thermodynamica. Natuurwetenschappers als Huxley en Tyndall zochten bewust de confrontatie met de kerkelijke leiding in een poging de maatschappelijke autoriteit van de wetenschap te vergroten en meer zeggenschap te krijgen over het onderwijs. In de kring van deze zogenaamde naturalisten verschenen diverse publicaties die de geschiedenis van de relatie tussen wetenschap en christendom beschreven vanuit conflictperspectief. Het toenmalige conflict tussen henzelf en de kerk projecteerden zij terug op het verleden. Hieruit blijkt dat geschiedschrijving over de relatie tussen religie en wetenschap – of die nu uitgaat van conflict of harmonie – gemakkelijk wordt beïnvloed door eigen ideaalbeelden voor het heden. De uitkomst van deze conflicten was niet dat religie werd vervangen door wetenschap, maar veeleer dat er een nieuw soort professionele wetenschapsbeoefening ontstond. Wetenschap werd eind negentiende eeuw een zelfstandige maatschappelijke factor, waarvoor de belangrijkste drijfveer niet meer religieus was.
Tenslotte, hoe hoog ik Abraham Kuyper ook acht, het is teveel eer om de stichting van zijn Vrije Universiteit te karakteriseren als ‘het slotstuk van de wereldwijde, wetenschappelijke revolutie’. Kuyper lijkt met de stichting van de VU, waar Christelijke wetenschap beoefend zou worden, terug te grijpen op het religieus geïnspireerde natuuronderzoek van vóór de negentiende eeuw – dat uiteraard in overeenstemming moest zijn met de bijbel. Dat daar aan de VU uiteindelijk weinig van terecht is gekomen, is te wijten aan een veelheid van oorzaken. De belangrijkste is echter dat de wetenschappelijke praktijk zoals die in de negentiende eeuw was ontstaan, fundamenteel anders was dan het natuuronderzoek van daarvoor. Wetenschap was een seculiere activiteit geworden, naast, maar niet tegenover religie. Aan die situatie moesten ook VU-wetenschappers zich conformeren. Het staat een ieder natuurlijk vrij om persoonlijk God in het onderzoek te ervaren, maar in het wetenschappelijke debat zijn religieuze argumenten niet meer geldig.
Ab Flipse schrijft een proefschrift over geloof-wetenschap-discussies in de eerste helft van de twintigste eeuw. Eerder publiceerde hij ‘Hier leert de natuur ons zelf den weg’. Een geschiedenis van Natuurkunde en Sterrenkunde aan de VU (Meinema 2005). Hij is verbonden aan de sectie Algemene Vorming / Wetenschapsgeschiedenis, Faculteit Exacte Wetenschappen
Overdreven geschreven door Joost Dessing,
24 september 2008
Breedveld illustreert de ironie in de observatie dat de wetenschappelijke revolutie gepaard ging met een ontkerkelijking, maar tegelijkertijd leidde tot het vinden van God in de natuur. Deze ironie heeft volgens Breedveld parallellen met de geschiedenis van de Vrije Universiteit.
Dat wetenschap 200 jaar geleden een puur religieuze aangelegenheid was heeft in mijn optiek niets te maken met de mening van ‘doorgewinterde atheïsten’ dat de wereld alleen kan worden gekend via zuivere wetenschap. Wetenschap is een continu proces waarbij experimentele bevindingen leidden tot aanpassingen van de theorie, welke vervolgens weer nieuwe experimenten motiveren. Dat dit proces nu nog gaande is zegt natuurlijk niets over het waarheidsgehalte van de theorie waar vanuit het proces werd begonnen (in dit geval een theorie over de bijdrage van God aan een bepaald natuurlijk proces). Het is evident dat door dit wetenschappelijke proces de verklaringswaarde van initiële religieuze theorieën alsmaar kleiner is geworden. Sommigen extrapoleren dit proces, als argument om te twijfelen aan het bestaan van een God. Anderen passen hun theorie aan. De aanpassingen, echter, zijn in de regel zo geformuleerd dat de theorie buiten de natuurwetenschap geplaatst wordt (met “God is liefde” als extreem voorbeeld). Breedveld refereert aan de mening van een studente die Gods sturende kracht ziet in de wonderlijke mechanismen van de natuur om aan te geven dat God niet uit beeld is verdwenen. Dat God niet uit beeld is verdwenen heeft in mijn optiek niets te maken met de vraag of religie en wetenschap samen gaan, omdat (zoals in het voorbeeld van de studente) God in de regel de wetenschap alleen betreedt in de vorm van een persoonlijke opvatting. Dat bepaalde wetenschappers in de huidige tijd hun motivatie halen uit religieuze overwegingen betekent niet dat religie een rol heeft of moet hebben tijdens het wetenschappelijke proces. Binnen de natuurwetenschappen is geen plaats voor religieuze dogma’s, juist omdat deze het wetenschappelijke proces ondermijnt. Breedveld overdrijft volgens mij dus de mate waarin religie en wetenschap daadwerkelijk samen zouden gaan.
Joost Dessing, postdoc aan de Faculteit der Bewegingswetenschappen
Kunnen we door één deur? geschreven door Mathijs van den Bosch,
24 september 2008
Kunnen we door een deur?
In den beginne… Ieder verhaal begint met een variatie op dit thema. Zo ook dat van Peter Breedveld getiteld God onder de microscoop in de Ad Valvas van 18 september.
In den beginne van de moderne wetenschap gaan religie en wetenschap nog goed samen, het is de kerk die voor problemen zorgt. God openbaarde en openbaart zich nog steeds in de wetenschap.
De vraag die na het lezen bij mij opkomt, is wat hij nu precies wil met dit artikel. Is het een geschiedkundige verhandeling over de relatie van religie en wetenschap of is het een verdediging van het combineren van die twee? Op het geschiedkundig verhaal is het een en ander af te dingen en de argumenten die bij een apologie horen ontbreken.
De Presocraten Het probleem van het geschiedkundige element is dat het ontstaan van de moderne wetenschap een zeer lang proces is geweest. Het begin ligt in zijn eerste oorsprong bij de filosofen die nu bekend staan als de Presocraten. Deze Griekse filosofen van rond 600 voor Christus verworpen mythologische scheppingsverhalen en begonnen met het onderzoeken van de wereld door middel van de rede.
De antwoorden die zij vonden op de vragen die zij stelden, komen nu lachwekend over. Na 2500 jaar, en het afsplitsen van onderdelen tot zelfstandige takken van wetenschap, vormen ze echter toch een van de belangrijke stappen in het ontstaan van de moderne wetenschap. Dat religieuze motieven ook een rol gespeeld hebben in de ontwikkeling, kan niet ontkend worden. Dat zij de moderne wetenschap op gang gebracht hebben, is lijkt me echter overdreven.
Naast elkaar Het interessante aan het artikel is dat Breedveld eigenlijk geen argumenten geeft om te staven dat religie en wetenschap samengaan, anders dan dat het in het verleden kennelijk het geval geweest is. Maar, zoals wel bekend, resultaten behaalt in het verleden zijn geen garantie voor de toekomst.
Een van de methodologiën van de moderne wetenschap is het gebruik van falsifieerbare, met argumenten onderbouwde theorieën. Theorieën die continu getest en bij gebleken onjuistheid verworpen worden. Religie vraagt om geloof, het aanvaarden van iets wat je niet kan bewijzen. Deze twee methoden staan lijnrecht tegenover elkaar. Binnen zowel de wetenschap als religie kun je maar van een tegelijk gebruik maken.
Naast elkaar levert geen problemen op. Het is als religieus persoon zeer goed mogelijk om wetenschap te bedrijven. Het enige wat daar voor nodig is, is doen wat alle wetenschappers principieel moeten: je persoonlijke ideeën en voorkeuren laten voor wat ze zijn en een neutraal standpunt innemen. Iemand die vanuit religieuze overtuiging onderzoek doet naar het bestrijden van ziekten is een wetenschapper.
Geloven is filosoferen Dit is echter niet waar het artikel naar toe wil. De rode draad in het geschiedkundig relaas is het creationisme. God schiep de aarde niet zoals het in de heilige schrift staat, maar Hij heeft hem geschapen en dat is terug te zien in de wereld zoals we die nu wetenschappelijk onderzoeken. Een creationist is echter geen wetenschapper, maar een filosoof.
De wetenschap kan worden onderverdeeld in twee delen: die wetenschappen de gebaseerd zijn op de wiskunde en diegene die dat niet zijn. Omdat we ooit hebben afgesproken dat 1+1=2 altijd waar is, kunnen we van op wiskunde gebaseerde afspraken altijd zeggen of ze waar of niet waar zijn. In de zachte wetenschappen ontbreekt een dergelijke, algemeen geaccepteerde uitspraak.
Het kunnen filosoferen is een groot goed. Filosofie is niet alleen verantwoordelijk voor de moderne wetenschap, maar voor vele grote inzichten. Het wordt op een wetenschappelijk verantwoorde manier met veel passie bedreven. Ik heb dat als filosofie student meegemaakt en heb er met veel plezier aan meegedaan. Maar dat maakt het nog geen harde wetenschap.
Hoewel de filosofie sinds de Presocraten een enorme ontwikkeling doorgemaakt, lijken de theorieën uit de moderne filosofie, en dus die van religie, in een opzicht heel erg op die van de oude Grieken: ze zijn gebaseerd op aannames die niet te bewijzen zijn. Toch gaat dit artikel er zonder meer van uit dat God bestaat.
Als Hij inderdaad bestaat, dan kunnen religie en wetenschap zonder problemen door een deur. Zolang het wetenschappelijk bewijs van Zijn bestaan ontbreekt, en er andere, minstens net zo elegante theorieën zijn, is het toch wringen.
Mathijs van den Bosch
Medewerker Archiefbureau van de Vrije Universiteit Oud en toekomstig deeltijd filosofiestudent universiteit Utrecht Rationalist, al dan niet verstokt
God zal steeds meer het veld moeten ruimen geschreven door Bart Klink,
24 september 2008
Ofschoon het klopt dat de eerste wetenschappers bijna allemaal gelovig (maar deïstisch) waren, zoals Peter Breedveld in Ad Valvas 03 schrijft, is het niet zo dat wetenschap en religie prima samengaan. Elke religie die beweringen doet over deze wereld, en dat doen alle religies in meer of mindere mate, kan (in principe) achterhaald worden door wetenschappelijke ontwikkelingen. Hierbij zal God keer op keer een stuk grond moeten prijsgeven aan de wetenschap. Waar Newton God nog nodig had om of en toe de hemellichamen bij te studeren, verklaarde Laplace triomfantelijk dat hij geen noodzaak meer had tot deze hypothese bij zijn verklaring van de bewegingen der hemellichamen. Darwin heeft God niet alleen beroofd van Zijn functie als Schepper van soorten, maar ook de zondevaldoctrine tot onhoudbare mythe verklaard. Door de moderne neurowetenschappen is zelfs het idee van een ziel of geest die na de dood kan voortbestaan naar het rijk der fabelen verwezen. God en religieuze doctrines zullen dus steeds meer het veld moeten ruimen voor voortschrijdend wetenschappelijk inzicht. Dit is begonnen met wetenschappers als Galilei en gaat nog steeds door. Het is dan ook niet verwonderlijk dat van de topwetenschappers slechts 7% gelovig is (Nature, 394:313).
Bart Klink Student bewegingswetenschappen en beheerder www.deatheist.nl
Wetenschap en religie kunnen best samengaan geschreven door Robert Klaassen,
06 oktober 2008
Bart Klink deelt (in zijn reactie hierboven) het veld van religie en wetenschap in 2 aparte gedeelten in. Daarin is sprake van een concurrentiestrijd met terreinwinst en terreinverlies. Zó gaan religie en wetenschap inderdaad niet samen. Het is echter mogelijk een visie te gebruiken waarin ze wel samen gaan. Daarbij gaan we ervan uit dat alles wat de wetenschap bestudeert door God geschapen is en dat Hij de mensen de middelen heeft gegeven om Zijn schepping te verkennen en bestuderen. Zó kunnen we religie en wetenschap integreren. Dan is er geen concurrentie, maar samengaan. De wetenschap kan zich vrij ontwikkelen en wetenschappers kunnen zich blijven verwonderen over hoe mooi het werk van de Schepper in elkaar zit.
Robert Klaassen, bibliotheekmedewerker
answer this topic geschreven door FisherARACELI23,
25 juni 2010
People deserve very good life time and mortgage loans or small business loan will make it much better. Just because people's freedom bases on money state.
De zeventiende- en achttiende-eeuwse natuuronderzoekers die Breedveld opvoert, ervoeren zelden een dergelijke tegenstelling tussen de God van de openbaring, en die van de natuur. Leidraad voor veel onderzoekers was juist de gedachte dat dezelfde God zich zowel liet kennen in de natuur als in de bijbel. Natuuronderzoekers als Newton en Boyle zagen hun onderzoek als ‘philosophical worship of God’. Bovendien waren er veel geestelijken die zich actief bezighielden met natuuronderzoek. Inzichten hieruit werden regelmatig gebruikt om traditionele geloofswaarheden te verdedigen en omgekeerd inspireerden theologische noties tot nieuwe theorieën over de natuur. De God wiens eigenschappen Newton naspeurde in de natuur, was dezelfde als de God die hij tegenkwam tijdens de vele uren die hij besteedde aan bijbelstudie: een God die handelend optrad in de natuur en de geschiedenis.
De gedachte dat er een conflict zou bestaan tussen kerk en wetenschap stamt met name uit de tweede helft van de negentiende eeuw. In Groot-Brittannië werden in deze periode felle debatten gevoerd over nieuwe theorieën als die van Darwin en de thermodynamica. Natuurwetenschappers als Huxley en Tyndall zochten bewust de confrontatie met de kerkelijke leiding in een poging de maatschappelijke autoriteit van de wetenschap te vergroten en meer zeggenschap te krijgen over het onderwijs. In de kring van deze zogenaamde naturalisten verschenen diverse publicaties die de geschiedenis van de relatie tussen wetenschap en christendom beschreven vanuit conflictperspectief. Het toenmalige conflict tussen henzelf en de kerk projecteerden zij terug op het verleden.
Hieruit blijkt dat geschiedschrijving over de relatie tussen religie en wetenschap – of die nu uitgaat van conflict of harmonie – gemakkelijk wordt beïnvloed door eigen ideaalbeelden voor het heden. De uitkomst van deze conflicten was niet dat religie werd vervangen door wetenschap, maar veeleer dat er een nieuw soort professionele wetenschapsbeoefening ontstond. Wetenschap werd eind negentiende eeuw een zelfstandige maatschappelijke factor, waarvoor de belangrijkste drijfveer niet meer religieus was.
Tenslotte, hoe hoog ik Abraham Kuyper ook acht, het is teveel eer om de stichting van zijn Vrije Universiteit te karakteriseren als ‘het slotstuk van de wereldwijde, wetenschappelijke revolutie’. Kuyper lijkt met de stichting van de VU, waar Christelijke wetenschap beoefend zou worden, terug te grijpen op het religieus geïnspireerde natuuronderzoek van vóór de negentiende eeuw – dat uiteraard in overeenstemming moest zijn met de bijbel. Dat daar aan de VU uiteindelijk weinig van terecht is gekomen, is te wijten aan een veelheid van oorzaken. De belangrijkste is echter dat de wetenschappelijke praktijk zoals die in de negentiende eeuw was ontstaan, fundamenteel anders was dan het natuuronderzoek van daarvoor. Wetenschap was een seculiere activiteit geworden, naast, maar niet tegenover religie. Aan die situatie moesten ook VU-wetenschappers zich conformeren. Het staat een ieder natuurlijk vrij om persoonlijk God in het onderzoek te ervaren, maar in het wetenschappelijke debat zijn religieuze argumenten niet meer geldig.
Ab Flipse schrijft een proefschrift over geloof-wetenschap-discussies in de eerste helft van de twintigste eeuw. Eerder publiceerde hij ‘Hier leert de natuur ons zelf den weg’. Een geschiedenis van Natuurkunde en Sterrenkunde aan de VU (Meinema 2005). Hij is verbonden aan de sectie Algemene Vorming / Wetenschapsgeschiedenis, Faculteit Exacte Wetenschappen